zaterdag 17 december 2016

Kerstkrant 2016

De balans opmaken nadat we alle seizoenen minstens één keer hadden doorlopen. Dat is één van de voorwaardes geweest toen we het avontuur van remigreren aan gingen. De eerste twee seizoenen zijn we door. We maken de tussenbalans op. We hebben het staartje van de zomer meegemaakt. In deze weken maakten we kennis met het logge apparaat dat overheid heet. Niet alleen tijdens de verkiezingen, maar ook tijdens alle inschrijfperikelen. Het één verliep nog stroperiger dan het ander, maar gaandeweg begonnen we het systeem door te krijgen. We leerden ermee om te gaan en hoorden van familie dat het in Nederland net zo bureaucratisch is als hier. Ook daar wordt je van het ene loket naar het andere gestuurd of ontvang je pas na weken informatie die je in de eerste week al nodig had gehad. We maken ons geen illusies, het hoort erbij. Stil verzet blijven we voeren, in de hoop dat het in de toekomst makkelijker kan. En zo kwamen we ongemerkt in de herfst. De herfst die hier niet gepaard gaat met blaadjes die van de bomen vallen, nadat ze eerst vele kleuren van een palet hebben laten zien. Nee, de herfst die windstilte met zich meebrengt en regen. Dagen, weken en inmiddels maanden van windstilte. Ik probeer mij voor te stellen hoe het ook alweer was met wind, maar stop er weer gauw mee. De inspanning is te warm, ik koel er niet vanaf. Het dragen van lange broeken naar mijn werk is heel gewoon. Prettig ook tegen de muggen die helaas ook daar hun weg naar mijn lichaam zoeken, maar ik voel het zweet langs mijn been naar beneden lopen. Hoe deed ik dat vroeger, had ik er toen geen last van? Ik kan het mij niet meer herinneren, maar als ik foto’s terugkijk van die tijd, droeg ik zelfs katoenen truien met lange mouwen. Het was in de mode. En zoals ik in Nederland altijd zei: wie mooi wil zijn moet kou lijden, geldt hier: wie mooi wil zijn moet warmte lijden. Dat de lange broeken bij zoonlief in de kast blijven liggen, want dat is echt te warm hoor mama, heeft tot gevolg gehad dat hij als eerste in het gezin geveld is door Zika. Ik wil graag geloven dat een mug op school hem daar te grazen heeft genomen, maar in mijn hoofd hou ik er ernstig rekening mee dat deze mug zich ook tegoed heeft gedaan aan ons, dus nu is het wachten wanneer wij omvallen. Is het niet van de warmte, dan zorgt Zika daar wel voor.
Alle goede voornemens ten spijt van de nieuw te vormen regering, maar de rooi in de wijk ligt er nog net zo begroeid bij als voor de verkiezingen, maar als ik de overheid moet geloven kan dat een broedplek zijn voor muggen. Bijkomend voordeel is dan wel weer, dat als de rooi overstroomt, het vele water alle rommel van de straat meeneemt. Zo ook bedrading die enigszins open en bloot is komen te liggen van de straatverlichting. Bij droog weer maakt dat niet zoveel uit, maar nat weer en open elektra verbindingen zijn nooit goede vrienden geweest. Het gevolg is dat de halve wijk zonder straatverlichting zit. Maar ook nu heeft de overheid goede raad: zorg dat uw omgeving goed verlicht is, dat voorkomt inbraken. Navraag bij het nutsbedrijf leert ons dat na vijf jaar het nog steeds niet duidelijk is wie er nu verantwoordelijk is voor de verlichting: Aqualectra of de aannemer Jansen de Jong. Het bekende verhaal van het kastje en de muur beleeft hoogtij dagen bij ons. Het probleem is echter niet opgelost hiermee. We zitten in het donker en wachten op een paar lichtpuntjes. Volgens aqualectra kunnen we daar zelf aan bij dragen door zuinig om te gaan met onze stroom. Ook zij zullen hun steentje bijdragen. Dat onze veiligheid en straat verlichting moet wijken voor het algemeen belang van kerstgevoel in de stad wil nog niet door dringen tot mijn gevoel van rechtvaardigheid. Ook de vraag aan de inwoners van Curaçao om generatoren aan te schaffen valt niet helemaal in goede aarde als aan de achterkant de zonnepanelen worden tegengewerkt.
De herfst is op zijn einde, we naderen de winter. We eten boerenkool, en hij smaakt nog best ook. Zoonlief met vriendje eten pannenkoeken met bruine suiker, of door het vriendje verwoord: chocolade suiker. De inhoud is onveranderd, maar het woord maakt het net iets specialer. Het woord dat kan maken en breken. Zo begon zoonlief eindelijk aan zijn lang gekoesterde voetbalcarrière, ik had mijn droomauto al uitgezocht voor als hij dat contract bij die grote profclub zou gaan tekenen. Maar onze droom spatte uit elkaar. Los van dat het toch echt te warm was om op Curaçao te voetballen, vond zoonlief de toon en woordkeuze van de trainer geen reden om zich te specialiseren in het grasspelletje. Geen opbouwende kritiek, maar elke keer weer een sneer en gemopper. Hij zeilt nu en vindt het heerlijk. Hij ligt in zijn bootje en dobbert wat op en neer op het water aangezien het nog niet echt gewaaid heeft sinds hij is begonnen. Ik voorzie nog geen gouden toekomst met hoge golven, maar ik zie een kind dat geniet van het water en besef mij eens te meer dat hij hier in december in zwembroek een watersport kan beoefenen.
We maken ons op voor een lange winter waarin vele feestdagen ons op staan te wachten. Geen winter waarin ik, zoals de afgelopen jaren, mijzelf het liefst drie maanden in bed wilde verstoppen. Het hele winterslaap concept is een prachtige uitvinding. Hij botst nog op het praktische vlak met werkgever en gezin. Daar had ik nog niets op gevonden. Op Curaçao voel ik niet de behoefte om  die winterslaap te houden. Ik wil juist wakker zijn en het leven meemaken. Met man en zoonlief beleven we ons eerste jaar hier. Het verloopt zeker niet allemaal van een leien dak. Geluk, vreugde, verbazing, maar ook tegenslag en verdriet, we maken het allemaal mee. Dat is niet anders hier dan in Nederland. Het verschil zit hem in hele grote dingen, maar ook in hele kleine. We omarmen ze allemaal en kijken positief nieuwsgierig uit naar de winter en lente die gaan komen. Op naar ons tweede halve jaar.
Bon Pasku i un felis aña nobo.



dinsdag 6 december 2016

sinterklaas

Het binnenhalen van Sinterklaas is de laatste jaren altijd een koude bedoening geweest. Dikke jassen, warme schoenen, handschoenen, paraplu en dan nog steeds kou lijden. Volgens sommigen is dat de enige manier om het Sint gevoel te krijgen. Zelf hoor ik tot de categorie, die het Sintgevoel ook krijgt in korte broek onder de tropische zon. En voor de kinderen maakt het niets uit. Die willen gewoon sinterklaas en zijn pieten zien. Waar en met welke kleur geschminkt gezicht maakt ze niets uit. Zij zien geen rood, groen , blauw of zwart, zijn zien een piet die snoepjes uitdeelt, die rare kunstjes doet en die goed in een brassband kan spelen.
De kinderen lopen uitgelaten voor ons uit. We zijn ruim op tijd en lopen eerst naar de pont opstap. We genieten van de sfeer en zien veel blije kindergezichten en ouders die gezellig bij elkaar staan te kletsen. Bij het pontje besluiten we toch liever tegenover de bushaltes te willen staan. Samen met de kinderen lopen we rustig terug. Het is beredruk en de sfeer is goed.
De kinderen speuren naar een plekje om goed zicht te hebben op de boot die ieder moment de haven binnen kan komen varen. Enigszins teleurgesteld zien ze vooral lange benen waar ze niet langs kunnen kijken. Er staan een flink aantal volwassenen vooraan met hun camera in de aanslag. In mijn naïviteit vraag ik nog ze of onze kinderen voor hen kunnen staan. Zij zijn lang genoeg en kunnen immers over de kinderen heen kijken, en ze kunnen alsnog hun mooie plaatjes schieten van de boot. Iedereen tevreden denk ik.  Appeltje eitje lijkt mij. Maar niets is minder waar. Hoewel ik vaak snak naar een koude douche is de douche die ik nu krijg, rond het vriespunt. Ijskoud wordt mij medegedeeld dat als ik vooraan had willen staan ik ook maar op tijd had moeten komen. Dat zij er al vanaf half acht stonden en nee, de kinderen mochten dus niet voor ze staan. Ik probeer nogmaals aan te geven dat het een kinderfeest is, niet direct bedoeld voor volwassenen en dat zij toch over de kinderen heen kunnen kijken. Wederom krijg ik te horen dat ik maar op tijd had moeten komen en dat zij geen stap opzij zullen gaan. Inmiddels krijgen ze bijval van omstanders die het duidelijk niet met mij eens zijn.

Ontgoocheld en gedesillusioneerd neem ik de teleurgestelde kinderen mee. Gelukkig zien we nog geen vijftig meter verderop een nog veel betere plek dus alles komt goed zou ik kunnen denken. Voor de kinderen is dit gelukkig wel het geval. Voor mij helaas niet. In tegenstelling tot de volwassenen die hun plek niet aan kinderen wilden afstaan bij het grootste kinderfeest dat er is, moet ik concluderen dat zij blijkbaar nog heilig in de sint geloven en deze plek nodig hebben om goed in beeld te komen bij de sint, opdat hij hun huis niet voorbij zal gaan. Zelf geloof ik allang niet meer in de goedheiligman. Wel geloofde ik altijd in de goedheid van de mens en daar is vandaag helaas een deukje bij gekomen.

Trùk di pan

Een keer naar een truck di pan gaan stond hoog op het verlanglijstje van zoonlief en zo gebeurde het dat we op een vrijdagavond naar de truck di pan gingen. Op de  Caracasbaaiweg, bij de buurman, want die had hij elke dag zien wegrijden aan het begin van de avond met zijn truck. Het eten werd bereid, maar was nog niet klaar, en terwijl wij staan te wachten kletsen we wat met de andere wachtenden om ons heen. Iedereen is rustig, niemand heeft haast, ook geen grote honger, aangezien we allemaal een kroket kregen om tijdens het wachten de rommelende magen alvast te sussen.
Ineens komt daar een enorm grote pick-up aangereden en de chauffeur zet die te grote auto dwars op een aantal geparkeerde wagens waarvan de eigenaren erbij stonden. Deze vroegen meteen, heel vriendelijk, ik kan niet anders zeggen, of hij zijn pick-up wilde wegzetten, omdat ze zo weg wilden gaan. De man keek even achterom en zei toen: nou, nee, hij staat daar goed. Nogmaals werd de man aangesproken, maar nu met de vraag of hij anders van plaats wilde ruilen, dan kon iedereen weer weg, wanneer die klaar was met eten. De man keek nog een keer om en wederom zei hij: nee, hij staat daar prima. Hij liep door, voorbij de truck di pan en liep het friethuis binnen.
Verbluft keken wij elkaar aan, en met ons alle andere aanwezigen. Dan kan hij er wel uit zien als een Popeye, en hij heeft een auto die je linkt aan Popeye, maar de manieren van Popeye heeft hij helaas niet meegenomen. Wat een honds gedrag. En toen we dachten dat het niet erger kon, kon het toch. De eigenaren van de als eerst geparkeerde auto hadden hun eten en wilden weg. Ze liepen naar binnen bij de patatzaak om Popeye te halen en warempel, hij kwam naar buiten. Hij stapt in zijn pick-up, rijdt hem naar achteren en laat hem vervolgens midden op straat staan. Nu  kan er niemand meer in of uit. Hij stapt uit en loopt weer naar binnen. Het duurt niet lang of er volgt een waar toeterconcert. Minstens vier auto’s staan achter zijn pick-up en willen erdoor. Het toeteren dringt door tot in de snackbar. Dit keer is het niet Popeye die naar buiten komt, maar zijn vrouw. Deze zet de auto weg op een plek waar niemand er last van heeft.

Waarom kan dat niet meteen vraag ik mij dan af. In Nederland had ik van die buren. Die zetten hun auto altijd dwars op onze oprit, zodat die van hun vrij bleef en als ik er dan iets van zei, dan kreeg ik steevast te horen: maar je kan toch altijd de auto van je man pakken, die staat verderop in de straat. Hondengedrag en daarmee doe ik de hond te kort besef ik nu. Asociaal gedrag dat niet goed valt te praten. En hoewel de naam Hollands Glorie over het algemeen een positief beeld geeft, krijg ik hier alleen maar een rare bijsmaak in mijn mond. 

Bululu

Soms heb je van die woorden, die ontmoet je in een gesprek en die laat je in volgende conversaties weer terugkomen. Ik heb dat lang gehad met jadija blablabla. Heerlijk om uit te spreken. Met een langere uithaal op de tweede ja en een korte pauze tussen beide woorden in. Collega’s werden er in het begin helemaal gek van tot zij de oplossing hadden gevonden om er geen last meer van te hebben. Ze gingen het zelf ook toepassen. En zo hebben we menig gesprek in kunnen korten door simpelweg jadija blablabla te kunnen zeggen.
Zo ook met het woord bululu. Ik had het woord al jaren niet meer gehoord. Wat zeg ik, al tientallen jaren. Ik denk dat ik het in Nederland nimmer gehoord heb en nu was het er weer. Bululu. Of ik het goed schrijf weet ik niet, maar je spreekt het uit zoals ik het nu schrijf. Wat is dat nou vraagt mijn man en alleen aan de hand van praktische voorbeelden kan ik het enigszins uitleggen. Of er een Nederlands woord voor bestaat weet ik niet. Ik kom het dichts in de buurt van een warboel.
Soms leg ik het uit met klanken, maar die krijg ik niet op papier.
De hernieuwde kennismaking met het woord kwam door de politiek. In aanloop naar de verkiezingen hebben we veel gesprekken gehad. Wie zou er winnen en wat voor een kabinet zou er geformeerd gaan worden. Zoonlief wist overigens wel wie er zou winnen. De PAR, want die had immers de meeste vlaggen hangen. Geen steekhoudende argumenten, enkel een observerende blik langs de kant van de weg. Na de uitslag begon het. Wel een formatie, niet een formatie, een gedeelde formatie, of nee, toch ook weer niet. geen meerderheid meer, of ja, toch weer wel. Eh……wat een bululu. En nu ik het woord weer heb herontdekt kan ik het goed toepassen in andere situaties. In de klas met de kinderen. Als het onrustig wordt en ik niet de woorden kan vinden om uit te leggen wat ik bedoel. En dan kijk ik naar die koppies en zie dat ze me allemaal snappen. Maar zoonlief heeft het nog niet door. Die is nog zoekende in zijn eigen Papiamentse woorden en woordgroepen. Mijn bululu neemt hij voor lief. Zijn stopwoordje is sera bo boka. Alleen past hij deze negen van tien keer niet goed toe. Het slaat dus doorgaans nergens op dat hij het zegt. Ik moet dan erg mijn best doen om niet in lachen uit te barsten, want meestal zegt hij het als hij zijn ongenoegen over iets wil uiten. Ik prijs hem om zijn uitspraak die goed is, maar zeg er wel bij dat hij beter iets anders kan zeggen, waarna hij wederom sera bo boka zegt. Nu past hij het wel goed toe, maar is het niet gepast naar zijn moeder toe. Wat is het toch allemaal ingewikkeld voor een kind, wat een bululu.

donderdag 17 november 2016

Nostalgia

Nostalgia. Ik kan het niet beter omschrijven. Een fantastisch leuk concert in het Atrium van de Centrale Bank, door Maestronan Penshoná. Kinderliedjes van weleer passeerden de revue. En met weleer bedoel ik, weleer met hoofdletters. Mijn aanwezigheid haalde de gemiddelde leeftijd van het publiek toch iets naar beneden en ook ik ben de jongste niet meer. Liedjes gezongen door gepensioneerden, gedirigeerd door een gepensioneerde, de heer Frank Fransisca, en een publiek met overwegend gepensioneerden. Wat een warme middag in de koele airco zaal. Warm in de zin van welkom, gezellig, vertrouwd, prettig.
Iedereen die er zat had een glimlach om zijn mond van herkenning bij één of meerdere liedjes. De liedjes stamden uit hun basisschooltijd en het is duidelijk dat er veel gezongen werd. Groot applaus bij de meest bekenden. Woordelijk werd er meegezongen. Door de één luidkeels, door de ander stilletjes. Door mijn buurvrouw zeer stilletjes. Ze genoot op haar manier. We kwamen er al meteen achter dat wij nagenoeg dezelfde schoenen aan hadden en dat schept toch een band. Ik zou ons nog geen vriendinnen willen noemen, maar goede kennissen mag nu wel denk ik.
Ik moest dan ook de neiging onderdrukken om haar af en toe niet een porretje te geven. Goede kennissen helpen elkaar immers. Want na de eerste set van vijf liedjes zag ik haar ogen steeds dichtvallen en dommelde ze weg. Ogen gesloten en haar lippen murmelden soms mee met de muziek. Mijmerend in haar gedachten van toen wellicht. Mijn por was niet nodig geweest, bij elk applaus werd ze weer terug de realiteit in geklapt om daarna weer weg te zakken. Ik had na de pauze niet verwacht haar terug te zien. Gelukkig kwam ze als laatste toch de zaal weer in. Fris na een drankje en iets lekkers, klaar om de tweede helft volop te kunnen genieten. De momenten van wegdoezelen volgden elkaar steeds sneller op en het meeklappen bleef op het laatst uit. Maar genoten heeft ze. Met volle teugen.
De meeste liedjes hadden voor mij ook wel een herkenning. Mijn vader, een trouw koorlid oefent regelmatig waardoor ik ze herken. Maar één was speciaal. Een liedje dat mijn oma vroeger voor ons zong. Ik zou het nu niet meer na kunnen zingen, maar een zekere mate van nostalgia maakte zich van mij meester. Heel kort maar. De volgende nummers zeiden me niet veel meer.
Hoe zal dat gaan als ik en mijn leeftijdsgenoten gepensioneerden zijn? Ik kan mij maar weinig herinneren van mijn basisschooltijd. En liedjes zingen was duidelijk geen hoofdvak op mijn school. Ik ken er geen één meer. Eigenlijk maakt het niets uit. Of ik zorg dat ik lid wordt van het koor, dan leer ik de liedjes alsnog kennen. Of ik zorg dat ik naast een jongere ga zitten in de zaal die mij af en toe een por geeft en mij bij de les houdt. Terwijl ik mijmerend wegzak in mijn gedachten van weleer tot ik wakker geklapt wordt. En dat alles met die grote glimlach om mijn mond.  

Remigreren part 9 heimwee

En dan ineens is het mij overkomen. Patsboem. Zonder vooraankondiging. Ik lig in bed en kan de slaap niet vatten en voordat ik kan bedenken waar ik last van heb begin ik te huilen. Eerst nog heel zachtjes, maar als ik het gevoel herken laat ik het toe. Heimwee. Dat is niet de bedoeling. Ik ben naar Curaçao gekomen om geen heimwee meer te hebben. Ik heb ook geen heimwee naar Nederland, maar wel naar de familie die ik daar heb gelaten.
Wat blijft dat toch lastig om je dierbaren verspreid te hebben over verschillende continenten. De afstand is zo ongelooflijk groot. Even op en neer gaan is niet mogelijk. En dan leven wij nog in een tijdperk dat we via de digitale wegen heel goed op de hoogte zijn van de anderen. Ik heb mijn jongste nichtje op de app. Dat zijn over het algemeen hele hilarische berichten. Veel plaatjes, weinig tekst en op de gekste tijden komen ze binnen. Wat ik mis is het lijfelijke contact. Even knuffelen. Wie weet dat dat op termijn mogelijk gaat zijn. Dat we volgens vele cineasten toch echt kunnen gaan teleporteren. Dat we met één knip met onze vingers overal ter wereld kunnen zijn. Hebben we ook meteen het fileprobleem opgelost. Hoewel ik dan luchtbotsingen zie ontstaan. Spatten we dan in miljoenen stukjes uiteen? En zal ik dan verder door het leven moeten met de armen van mijn tegenstander tot we elkaar weer gevonden hebben om te kunnen ruilen? Daar zal wel aan gedacht worden bij het uitvinden van deze mogelijkheid van transport.
Ik ben bang dat ik het niet meer mee ga maken, daarvoor gaat de ontwikkeling nog niet snel genoeg. Stiekem oefen ik wel al regelmatig. Kleinschalig in huis. Het verplaatsen van dingen door met mijn vingers te knippen. Bij elke knip hoop ik dat het die keer toch echt lukt en dat mijn huis schoon en opgeruimd is, maar ook nu, helaas. Ik zal zelf moeten blijven schoonmaken en ik zal zelf goed moeten sparen om af en toe de oversteek te kunnen maken.
En daar komt bij dat het mijn eigen keus was om deze stap te zetten. Weg van  huis en haard, terug naar mijn andere huis. En dat het missen van familie en vrienden daarbij zou horen was onvermijdelijk. Ik had het eerder verwacht en toen het uitbleef had ik het niet meer verwacht. Vandaar dat het mij overviel.

Ach, ik weet het. Het is een luxe en ik voel mij bevoorrecht om in twee werelddelen opgegroeid te zijn. Dat ik twee werelden ken. En ik weet dat het gevoel van gemis weer overgaat. In de ochtend lijkt de wereld altijd een stukje vrolijker, zeker hier op zonnig Curaçao. Alleen voelt de luxe heel soms, heel soms, even als een last. 

Remigreren part 8

Met het stempel in mijn paspoort en mijn inschrijfbewijs had ik gedacht binnen een week mijn sedula te mogen ontvangen en alle daarbij behorende papieren. Ik had keurig een afspraak staan en na twee weken sta ik weer bij Kranshi om dan toch eindelijk mijn sedula op te kunnen halen. ‘Mevrouw, waar is uw oude sedula”, vraagt de dame achter de balie. ‘Eh…die heb ik in de container zitten bij mijn oude dagboeken en andere spullen van vroeger’.
‘Maar mevrouw, die moeten we eerst innemen voordat u een nieuwe krijgt’. Ik voel dat ik een vuurrood hoofd krijg en woedend wordt. ‘Ik kan mijn inboedel niet inklaren zonder sedula mevrouw, en nu vertelt u mij dat ik geen sedula krijg als ik de oude niet eerst inlever die in de inboedel zit?’. Ik krijg het niet meer vriendelijk over mijn lippen. Na alle bureaucratische rompslomp past dit niet meer in mijn hoofd. Gelukkig is deze mevrouw niet zo heel snel uit het veld geslagen en zij verwijst mij naar een andere balie waar ik moet aangeven dat ik mijn sedula kwijt ben. Nadat ik weer een nummer heb gehaald sta ik voor balie zes. Er blijkt even onduidelijkheid te zijn over wie de volgende aan de beurt is, mevrouw met nummer 68 die naast mij staat, ik met nummer 69 of de persoon aan de andere kant van de telefoon. Ik vermoed dat die persoon nummer 66 en 67 had, want het gesprek duurde erg lang, voordat de baliemevrouw tijd had voor onze nummers.
Ondertussen had ik tijd om na te denken over mijn sedula. Dat die nog in de container zat kon ik beter niet aangeven. Ik gaf dus in het gesprek aan dat ik hem kwijt was. Wat feitelijk ook zo was, ik had geen idee waar in de container die zou kunnen zitten. Kwijt raken is geen probleem bij Kranshi. Er werd een prachtig formulier uitgeprint met veel stempels, handtekeningen en verklaringen van mijn kant. Kwijtgeraakt tijdens verhuizing, en ook dat was niet gelogen. Met het formulier toog ik terug richting sedula mevrouw. Ik haal geen nieuw nummer dit keer, maar wacht bij de balie. Ik verontschuldig mij voor mijn boosheid en probeer er nog een positieve draai aan te geven maar ik geloof niet dat hij heel oprecht klonk.
Toch is deze mevrouw wel een echte professional, waarschijnlijk heeft ze dit vaker meegemaakt. Ze maakt een foto van mij en vraagt mij of hij oké is voordat ze op afdrukken drukt. Ik ben er blij mee, je kijkt toch een paar jaar tegen zo’n foto aan. Voor hetzelfde geld had ze zo de pé in over mijn gedrag dat ze mij met verwilderde haren, ogen stijf dichtgeknepen en met drie onderkinnen de sedula wereld in had geholpen. Ik zou het gedaan hebben als ik tegenover mijzelf had gezeten. Ik heb vandaag kennis gemaakt met mijn niet aardige ik. Gelukkig voor Kranshi hoef ik voorlopig even niet terug, want met mijn sedula kon ik ons BB10 formulier halen wat binnen vijf minuten was geregeld. Daarnaast herkennen ze mij vast niet meer. Inmiddels ben ik niet meer rood aangelopen van frustratie, staan mijn haren niet meer rechtovereind en kan ik weer rustig lopen, zonder briesend over te komen.