woensdag 31 augustus 2016

Remigreren part 1

Al heel lang had ik de wens om terug te keren naar Curaçao. Door de jaren heen werden manlief en zoon ook enthousiast. Na de nodige teleurstellingen leek het dan dit jaar toch echt te lukken. In februari hadden wij beiden een eerste sollicitatiegesprek in Den Haag. Een gesprek met het onderwijs in Bonaire. Ondertussen had ik mijn team op mijn werk moeten vertellen dat we bezig waren met solliciteren overzees. Iets wat door velen altijd wordt afgeraden, maar het voelde goed om dit toch te doen. Daarnaast had ik geen keus. Het toeval wilde dat dit eerste gesprek op de dag viel dat ik een studiedag moest voorzitten. Ik heb de opening en de afsluiting kunnen doen en tussendoor reed ik richting Den Haag. Anderhalf uur heen, gesprek van een uur, anderhalf uur terug. Op de snelweg symbolisch naar mijn man gezwaaid die twee uur later zijn gesprek had. Een positief gesprek en vol energie reed ik terug, maar toen werd het stil. Heel stil. Heel lang. We hoorden niets. Na een week of zeven kregen we telefoon. Er was een wisseling in directie geweest op de school in Bonaire waardoor alles vertraging had opgelopen, maar of we nog even geduld wilden hebben. Weer een week later had ik een tweede gesprek. Zoveel energie als ik had gekregen van het eerste gesprek, zo moeizaam verliep dit tweede gesprek. Het begon al met de slecht Skype verbinding. Ik hoorde de personen vooraan goed, de personen achter in de ruimte waren bijna niet te verstaan en het beeld was korrelig. Als ik deze mensen diezelfde avond nog tegen zou zijn gekomen op straat zou ik er geen één herkend hebben. Ik was kapot.
Mijn man stond ondertussen in een soort van wachtstand. Bij mijn gesprekken hoorde ik dat hij nog even geduld moest hebben, maar verder dan die informatie kwam er niets. Na dit tweede gesprek kreeg ik te horen dat ik was aangenomen. Alleen deze baan was niet mijn droombaan. Verre van dat zelfs. Na drie slapeloze nachten en heel veel piekeren durfde ik aan mijn man op te biechten dat ik deze baan niet wilde. Sterker nog, ik wilde niet meer naar Bonaire. En zo stonden onze plannen weer helemaal op zijn kop. Nu door onze eigen keuze. Want wat nu? Ik ben gaan bellen naar Curaçao en we waren nog op tijd om bij twee grote schoolbesturen aan te geven dat we interesse hadden in banen bij hen. Nu ging de procedure vlot. Al snel volgden gesprekken . Via Skype. Nu waren de mensen herkenbaar en het gesprek goed volgbaar.
Na een paar weken, op een maandagavond, kwam het verlossende woord. Men was voornemens om mij aan te nemen. En diezelfde avond hoorden we van het andere schoolbestuur dat ook zij voornemens waren om mij aan te nemen. En zo kwamen we in een soort van luxe positie terecht dat ik kon kiezen uit twee banen.

Tot ook Bonaire ging bellen, want ze hadden nog steeds een baan voor mijn man.  Drie banen in de wacht. 

zondag 14 februari 2016

Gran marcha

Vrolijk en uitgeslapen sta ik naast mijn bed. Carnavalszondag. De dag van de Gran Marcha. Ik ben er helemaal klaar voor. Het is weer even wennen. Wat nemen we mee en hoe nemen we alles mee? We zijn door vrienden uitgenodigd om bij hen aan de Roodeweg te komen staan. Als vanouds. Dit keer niet bij de santana, maar een klein stukje verderop. Samen met mijn zus pakken we een tas in met lekkers en drinken en we besluiten dat wat we missen ook op straat gekocht kan worden. Bij het besluit om naar de Gran Marcha te gaan hadden we met het thuisfront al afgesproken dat we gebracht en gehaald zouden worden. De auto’s ergens parkeren zagen we niet zitten, bovendien zouden we hem niet nodig hebben overdag. Om twaalf uur zouden we weggebracht worden, want het zou om elf uur beginnen. Maar dat moment werd later en later. Ons vervoer was er nog niet, en niemand leek haast te hebben. Het werd niet eens heel veel later. Het werd half één dat we de auto in konden pakken om te vertrekken. Ik wilde zo snel mogelijk naar Otrobanda, want stel je voor dat we te laat zouden zijn. Dan waren we eindelijk, na jaren, weer eens met carnaval op het eiland, en dan zouden we het nog missen. Dat wilde ik niet laten gebeuren. In alle kalmte en rust werd er gereden en zonder problemen kwamen we aan in Otrobanda. We konden tot aan de Roodeweg komen waar ik al meteen zag dat er nog weinig leven in zat. We waren veel te vroeg. Heel veel te vroeg. De mensen bij wie wij zouden staan waren er zelf nog niet eens. Op dat moment wist ik het, ik was vermakambadiseerd. En hoe. Hoezo op tijd beginnen? De stoet begon al te laat hoorden we en zou onderweg ongetwijfeld de nodige opstoppingen hebben gehad alvorens hij maar in de buurt van de Roodeweg zou zijn. Uiteraard werd ik flink uitgelachen door mijn zus en vrienden, en terecht. En langzaamaan begon het allemaal weer te dagen. Natuurlijk duurt het altijd langer dan je denkt en een volgende keer zijn we zeker niet voor drie uur in de buurt van de Roodeweg. Voor nu was het niet erg. We zijn gaan lopen richting Welgelegen om de ambiente vast te voelen. Vele bekenden kwamen we tegen. Mensen die we al jaren niet meer gezien hadden. De warme zon op ons nog te witte lijf. De geur van barbecue vermengd met hier en daar een vleugje alcohol. We zijn weer thuis. De stoet was geweldig. Al die kleuren, al die mensen, vele bekenden die meeliepen. Geuren van diesel die overstemd werden door de luide klanken schalmend uit alle muziekboxen. Ik kan er geen genoeg van krijgen. Met plezier kijk ik terug naar de foto’s die gemaakt zijn en mentaal bereid ik me voor op de dinsdagavond. Even checken hoe laat die begint, zodat ik zeker weet dat ik op tijd zal zijn.

Carnaval 1

Al jaren schrijf ik rond carnaval mijn frustratie en verbazing van mij af door het carnaval tussen Nederland en Curaçao te vergelijken. Met jaloezie denk ik aan diegenen die daar zijn en blauwbekkend sta ik de enigszins beschamende optocht van het dorp te bekijken. Ik kan er niet te negatief over zijn, aangezien zoonlief helemaal losgaat en alles één groot feest vindt. Dit jaar kan ik uit eerste hand gaan ervaren of mijn herinneringen inderdaad zo mooi zijn als in mijn hoofd. Samen met mijn zus ben ik sinds jaren weer eens op Curaçao met carnaval. De aanleiding had niets met carnaval te maken. Mijn moeder bereikt een memorabele leeftijd en dat vonden wij toch echt een goede aanleiding om tussendoor naar haar toe te gaan. Dat carnaval in diezelfde periode valt is mooi meegenomen. De voorpret is geweldig. Ik krijg van vrienden de nieuwe tumba door via internet: kun je vast oefenen Mo. Ik doe mijn best. Hij swingt goed en het went snel. De nieuwe route wordt nog eens bekeken en er worden al afspraken gemaakt waar we met wie gaan staan. En hoe we er komen en wat we meenemen. Ik verheug me erop om het niet koud te hebben. Ik verheug me op de kleurenpracht die aan ons voorbij zal trekken. Ik verheug me op de geuren en geluiden die bij me binnen komen. Maar het meest verheug ik me, denk ik, op het feit dat ik zelf niet verkleed hoef te gaan. Ik kan in mijn gewone kleren gaan kijken. Het koeienpak dat voor mij al jaren trouw dienst doet mag in de kast blijven liggen. Ik was nog even bang hoe zoonlief zou reageren op mijn nieuws. Dat ik naar Curaçao zou gaan en hij niet mee zou mogen. Maar ik had me voor niets druk gemaakt. Het eerste wat hij zei was: oh geeft niet hoor, als papa maar met mij gaat carnavallen. Opgelost dus, ware het niet dat zijn vader niet van het carnaval is. Helaas zal hij er dit jaar aan moeten geloven. Er wordt al druk besproken wat wel of niet geschikt is om aan te trekken, want dat favoriete voetbalpakje is natuurlijk helemaal te gek, maar die blote benen zijn in februari toch wel koud. Het compromis van een legging is er nog niet door, dus het blijft nog even spannend wat er hier wordt aangetrokken. De plek waar de optocht gekeken gaat worden was eigenlijk al bekend. Al jaren staan we op dezelfde plek. En toen hoorden we dat de route gewijzigd is. Hij komt nu langs het café waar grote broer werkt. Dat is al veel gezelliger. En werkelijk waar, het ene jaar dat ik er niet bij ben staat daar dus een verwarmde tribune. Een VERWARMDE tribune. Ik ben benieuwd of ik de column vanuit een ander gevoel geschreven zou hebben. We zullen het nooit weten.

zondag 31 januari 2016

Curasu

Elke week krijgen wij hier een huis-aan-huis krantje. Dat is gratis en gaat over het dorp. Er staan allerhande dingen in. Van informatie over kerkdiensten tot een knutselpagina van scholen. Vaak ook wel een soort diepte-interview met een plaatselijke bekendheid en nieuwtjes worden besproken. Ik blader het krantje altijd even door. Ik kijk bij de vergunningen die worden aangevraagd en waarvoor, om te voorkomen dat ik ineens verrast word door een bouwlustige buurman die een boom wil kappen waar wij schaduw van ontvangen. En zo viel mijn oog op de naam Curasu. Even lezen. Een jonge ondernemer begon een eettentje met snacks en maaltijden uit Curaçao en Suriname. Mijn hart maakt een sprongetje en ik spring letterlijk op van mijn stoel. YES, roep ik, dat scheelt weer werk. Ik kan mijn lekkernijen nu hier kopen. Ik hoef er niet voor naar Rotterdam te rijden. Ik hoef niet te zwoegen in de keuken. Mijn zoon kijkt me aan alsof ik gek ben, tot ik hem uitleg waar mijn enthousiasme vandaan komt en hij springt vervolgens met mij mee. Ik hoefde niet lang te zoeken om te zien waar het was. Vlakbij, nog geen vijf minuten rijden met de fiets, laat staan met de auto. Parkeergelegenheid genoeg voor de deur. Verkoop aan bentana. En dat is wel even wennen voor de gemiddelde Nederlander. Hoezo aan het raam kopen? Kunnen we niet ergens zitten? Dat heeft de vorige eigenaar ook genekt, nu moet je buiten wachten op je eten. Helaas meestal in de kou. Op Curaçao en ik neem aan in Suriname ook, is buiten wachten op je eten nooit een probleem. Sterker nog, het is er heel gewoon. Bij de truk’i pan sta je buiten op straat. Het eten wint het van de kou voor mij. De wind en kou trotserend ben ik aanwezig bij de opening. De partytent die ons enigszins droog kan houden wordt ondersteund door zware zandzakken, om niet de lucht in te vliegen. Ik bekijk het aanbod en maak een praatje met de jonge verkoper. Ja, ook ik kom van de Antillen, en nee, dat zou je niet snel aan mij zien. Ik doe mijn bestelling en krijg wat extra kaasballen cadeau, als Antillianen onder elkaar. Met mijn tasje gevuld kom ik thuis. Ik maak de zakjes open. De pastechi’s waren nog niet klaar, en empana willen ze nog wel gaan maken, dus die zou ik op een later moment moeten bestellen. Mijn broodje bakijouw was lekker, maar die kaasballen waren zo groot als kleine knikkers. Om niet meteen af te haken bestel ik de avond erna drie porties saté ku batata. Ik betaal voor mijn gevoel de hoofdprijs. Per portie 8,50 euro, omgerekend toch zo’n 16 gulden. En als ik daar nou twee dagen van zou kunnen eten... Maar helaas, aan het einde van de maaltijd nam ik nog een boterham. En nog wil ik niet opgeven, ik wil ook die pastechi’s proeven en kijken of ze al empana’s hebben, maar helaas na vier weken is de zaak dicht. Er is iemand de pui binnen gereden. Misschien had deze binnenrijder het toch te koud buiten? Ik sta inmiddels weer te zwoegen in de keuken thuis en eet mijn lekker smakende, maar onooglijke empana’s.

Nederland klaagland

Nederland is een klaagland. Er is een klaagcultuur die er niet om liegt. Het gras is altijd groener bij de buren. Het glas is altijd halfleeg. Als de zon al een keer schijnt, dan schijnt hij te fel. En als je tegenwind hebt op de heenweg, dan weet je bij voorbaat al zeker dat je die ook op de terugweg zult hebben. Ook op de werkvloer merkte ik die klaagzang van collega’s. Niets was goed. Er ging geen dag voorbij of het hele team had last van elkaar, van de kinderen, van de organisatie, van alles, maar nooit van zichzelf. Want bij die klaagcultuur hoort ook dat het nooit aan de klager ligt. Enige zelfreflectie is nog ver te zoeken. Op mijn werk ontdekte ik dat ik een tegengeluid wilde geven. Dus, heel bewust, ben ik voor elk beklag een positief tegengeluid gaan geven. “Omar kan weer niet stil zitten, ik word er gek van”, waarop ik zei: “Wat fijn dat je iemand in de klas hebt die af en toe even een glaasje water voor je kan halen.” Na twee jaar tegengeluid kwam ik voor de keus te staan. Of meegaan met het klaagteam of kiezen voor een andere werkplek. Ik heb voor het laatste gekozen en dat was een hele goede beslissing. Sommige mensen in het dorp mijd ik liever. Ik weet dat als ik hen spreek, ik gedeprimeerd weer naar huis ga. Er is dan niets meer goed in de wereld. Ook de televisie of de radio zet ik minder vaak aan. De manier van journalistiek is door de jaren heen zo veranderd. Van puur observeren en verslag doen van enkel feiten, lijkt het tegenwoordig wel nodig om bij voorbaat al een mening bij de ander op te dringen. Door de manier van vragen word je een bepaalde richting in geduwd, en helaas trappen er veel mensen in. De berichtgeving is negatief van aard en altijd in de klagende tijd. Ik geef de Nederlandse taal nog een jaar of vijftig en we hebben er een nieuwe tijd bij. Tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooide tijd en klagende tijd. Als ik dan zie hoe verwend wij zijn in Nederland. Hoe goed we het allemaal hebben met elkaar, dan is er geen reden tot klagen. Als ik dat dan vergelijk met Curaçao, waar veel mensen het echt minder goed hebben. Ik hoor hen niet klagen. Ze dealen ermee en gaan door. Daar zou menig Nederlander nog van kunnen leren. Helaas hoor ik ook steeds vaker het klaaggeluid vanuit de Antillen komen. Niet van de Antillianen, als wel van enkele Nederlanders die ook daar vinden te moeten klagen. Mensen, geniet van het leven, kijk om je heen en besef hoe goed je het hebt. Diegenen die echt reden tot klagen hebben, die hoor je niet. En als je dan echt wilt klagen en je vindt dat het gras bij de buren altijd groener is, dan is daar wel een redelijk simpele oplossing voor te vinden. Neem kunstgras.

zaterdag 23 januari 2016

stilte

Ik heb erg moeten wennen aan het binnenleven in Nederland. Ik was het zo gewend dat je buiten leeft. Op de porch rondom je huis. Binnen was je om te slapen, te douchen en om te koken. Soms zaten we binnen voor de televisie. Hoewel ik ook veel gezinnen ken die de televisie ook buiten hadden staan. Tegenwoordig met alle inbraken zie je dat helaas steeds minder. Door het buitenleven had je ook altijd een soort van indirect contact met de buren. Je hoorde hen op hun porch praten met elkaar. Niet woordelijk, maar wel dat er gepraat werd. Ik voelde me nooit alleen en had altijd een veilig gevoel. Je hoorde het gerammel van serviesgoed dat werd opgeruimd als het eten klaar was of je hoorde dat er samen muziek werd gemaakt. Ik had er nooit zo bij stilgestaan dat je altijd wel iets hoort. Als het de buren niet zijn, dan is het wel de wind die altijd waait of het ruisen van de bomen rondom je huis. Een hond die blaft in de verte of een auto die door de straat rijdt. En sinds een aantal jaren ook ‘s nachts het geluid van de airco of fan. Mijn eerste maanden in Nederland waren zo stil in huis. En nog steeds kan het mij overvallen. De huizen zijn dusdanig goed geïsoleerd dat je weinig tot niets hoort van de buren of van welk geluid dan ook buiten. Daarbij kwam dat ik in het begin in een flat woonde. Wel veel buren, maar geen tuin waar je nog wat zou kunnen horen. Nu hebben we een tuin en in de zomer, als het weer het toelaat, hoor je de buren ook. Op de flat hoorde je geen conversaties van de buren. Er kwam niets door de betonnen muren heen. Al gauw stond de televisie de hele dag aan bij mij. Niet dat ik er naar keek, maar als achtergrondgeluid zodat ik niet alleen de stilte hoefde te horen. In een later huis met buren en tuin hoorde ik af en toe de buren wel eens. Meestal in de zomer als de deuren open stonden. De buurvrouw zat graag in de tuin en ze zat er nog liever met de telefoon in haar hand. Nu vermoed ik dat ze regelmatig met anderen sprak die hardhorend waren, want elk gesprek kon ik woordelijk volgen. En dat was niet het geluid dat ik zo miste. Het gevolg was dat ik de deuren sloot en weer bevangen werd door de stilte in huis. Lang leve de televisie die ik zacht op de achtergrond kon aanzetten. In ons huidige huis hebben we een goed contact met de buren aan de ene kant en summier met die aan de andere kant. Vanwege verbouwingen van onze kant hebben wij wel voor wat geluidsoverlast gezorgd ben ik bang. Met vertraging geven zij nu antwoord op dezelfde manier. Dus ook nu gaat de televisie aan, maar dat is nu meer om dat geluid te overstemmen. Aan de stilte ben ik geleidelijk aan gewend. De enige momenten dat ik steevast overvallen word van de stilte is als wij met vakantie zijn geweest op Curaçao en we komen terug in Nederland. Die eerste nacht kan ik niet slapen van de stilte. Je hoort niets, geen airco, geen auto’s, geen honden. Ik ken mensen die de stofzuiger aanzetten om maar iets van geluid te hebben. Ik zet de televisie uit na de zoveelste herhaling van het journaal, om te wennen aan de stilte.

Houdbaarheidsdatum

Op alle verpakkingen van levensmiddelen staat een houdbaarheidsdatum. Dit staat op twee manieren omschreven. Ten minste houdbaar tot. Of te gebruiken tot. En daar zit wel een verschil in. De tweede is een richtlijn die we beter wel kunnen volgen. Deze staat vaak op vleesproducten, maar ook wel op yoghurtproducten. De eerste, ten minste houdbaar tot, is een breder begrip. Ruimer interpretabel. Ik ben van huis uit gewend dat je vooral je zintuigen gebruikt als je een product wilt gebruiken. Neem als voorbeeld vlees. Als dat er grijzig uitziet, eet je het niet op. Uiteraard laat je het ook staan als het niet lekker ruikt en als ik enige twijfel heb geef ik altijd een stukje aan de kat. Als die het eet, dan durf ik het met een gerust hart ook te eten. Maar als de kat het zelfs laat staan, dan is het niet meer goed. Op dit moment is die theorie enigszins dubieus, aangezien we een kitten in huis hebben. Aan de ene kant speelt zij nog het liefst met haar eten en aan de andere kant eet ze volgens mij ook nog alles op. Dus ik vertrouw nog niet op haar oordeel. Dat je vooral je zintuigen moet gebruiken is nu ook doorgedrongen tot de mensen die verantwoordelijk zijn voor alle informatie rondom eten vanuit de overheid. Ook zij vonden dat er toch wel heel veel eten werd weggegooid. Hele pakken suiker en rijst verdwenen in de prullenbak, omdat de datum was overschreden. Droge kruiden idem dito. En de appels waar een vlekje op zat mochten ook meteen weg. Ik heb in huis best een strijd moeten leveren met mijn stiefkinderen. Met name de jongste hield goed alle data in de gaten. Niet in de laatste plaats omdat hij snel last krijgt van zijn darmen. Ik gaf regelmatig aan dat producten nog prima te eten waren. Het verhaal van meel zeven op de Antillen deed hem gruwelen en ik geloof dat het best een tijd heeft geduurd voordat hij weer een plak cake wilde eten bij ons. Al mijn argumenten werden naarmate hij ouder werd weerlegd. Ik was dus blij dat de overheid met nieuwe richtlijnen kwam om op bepaalde producten geen houdbaarheidsdatum meer op te schrijven. De mensen moeten zelf weer hun gezonde verstand gaan gebruiken om te beoordelen of iets nog goed is of niet. Met dat gezonde verstand zit het bij ons verder wel goed. Hoewel toetjes geen kans krijgen om over de datum te geraken bij ons in huis kijken we toch elke week de koelkast even na. En de yoghurt mag dan altijd nog best even blijven staan. Daar is niets mis mee. We kijken regelmatig de voorraadkast na of er producten in staan die weg moeten. Maar toch niet regelmatig genoeg, zo bleek pas geleden. We hadden een nieuw record te pakken. Anno 2015 haalde ik een Indisch kruidenpotje uit 1998 uit de kast. We zouden er niet ziek van zijn geworden, maar ik geloof ook niet dat er nog veel smaak aan zou zitten. En hoewel ze er 300 jaar geleden niet over dachten om het weg te gooien, heb ik deze toch maar weggedaan.