woensdag 11 juni 2014

IJshockey

Het blijft een uitdaging. Welke sport vindt mijn kind leuk. Bij sommigen is dit heel duidelijk. Die vinden één sport leuk en dat is het. Of geen sport en dat is ook duidelijk. Ons kind vindt alle sporten leuk. Alle jongenssporten dan wel te verstaan.
Hij zat op grashockey en judo. Een buiten teamsport en een binnen individuele sport. Met name dat binnen sporten, dat ligt mij wel. We hebben met dat hockey buiten langs de lijn gestaan, een paar graden boven nul, dikke winterjas aan, muts op , sjaal om, de kantine nog dicht. Ik kan zeggen dat ik daar niet heel gelukkig van wordt.
En nu heeft onze zoon bedacht dat ijshockey  misschien ook heel leuk is, en dat is het ook. Het is een fysiek hele stoere sport en een aangename buitensport. Je speelt wel buiten, op ijs, maar in een hal, dus overdekt en uit de wind en dat scheelt en heleboel.
Nu kon zoonlief net een beetje schaatsen, maar meer hoef je ook niet te kunnen volgens de vereniging, dus met geleende schaatsen op naar de proeftraining. Met wiebelende benen stond hij op het ijs, maar wat een plezier. Ook echt een sport voor jongens zoals de onze. Hij mag vallen, hij mag slidings maken, de puck is nooit uit, hij mag de puck stoppen met zijn schaatsen en zelfs scoren met zijn schaatsen en hij mag de hockeystick met beiden kanten gebruiken. Een win-win-win sport voor de onze.
En toch vindt hij het gras hockey ook leuk, en judo, en taikwando , en hiphop/streetdance, maar als we vragen wat hij het liefste wil dan zegt hij toch voetbal. Kijk, en daar hebben wij weer niets mee. Een paar weekenden terug is ook bij één van de clubs bij ons in het dorp gevochten, omdat de spelers het niet eens waren met de beslissing van de scheidsrechter. Er zijn gelukkig geen doden gevallen, maar wel gewonden en dat alles om een spelletje. Dus zolang het lukt houden we voetbal af.

Nu staan wij, als ouders voor de keus, wat gaan we na de zomer doen. Blijft het grashockey of gaan we toch het ijshockey een kans geven? We hebben voor beiden sporten voor en tegen argumenten. De een is dicht bij huis en heeft schoolvriendjes, de ander is stoer en meer op maat. En dan hebben we het nog niet eens over het argument, wat doen we in de toekomst? Blijven we hier wonen of gaan we een keer terug naar Curaçao? Met dat argument is het helder. Dan is ijshockey nou net niet de sport die daar gespeeld kan gaan worden en dus geen slimme keus. Of toch wel? Ik heb gehoord dat er ooit iemand was die op het kerkplein van Janwé een ijshockey team had samengesteld en dat er werd geoefend met skeelers. En zo liggen alle opties voor ons nog open. 

Schijndel vol verhalen

Vandaag was ik aanwezig bij ons in het dorp voor de uitreiking van het boekje Schijndel vol verhalen. Het was een verhalenwedstrijd over het dorp. Ook ik had meegedaan en ook mijn verhaal is gepubliceerd. Ontzettend trots natuurlijk.
Behalve dat het werk gepubliceerd zou kunnen worden zou deze middag ook de dorpsschrijver bekend gemaakt worden. Onder de schrijvers die iets hadden ingezonden zou een dorpsschrijver gekozen worden. Ik wist dat ik het niet zou worden. Ik ben teveel import, maar nu er gekozen is voor een Belgische, had ik niet gedacht.  Het is wel logisch toen ik haar verhaal las. Ze roemt en noemt  Schijndel volop. Ik noem Schijndel volop, maar heb ook zeker kritische noten laten horen.
Deze middag werd aan elkaar gepraat door een meneer van een evenementenbureau, die ik redelijk goed kon verstaan. Natuurlijk sprak hij gewoon Nederlands, maar wel met een Schijndels accent. Voor veel mensen boven de rivieren zou het boers klinken. Ze noemen het ook wel plat praten in Nederland. Kom je uit het oosten van het land, dan praat je plat. Kom je uit het zuiden dan praat je met en zachte g, maar in de dorpen praten ze plat. Toen wij net op Curaçao woonden spraken mijn zus en ik ook plat. Mijn ouders niet.  Die spraken ABN, zoals ze dat zeggen. Algemeen Beschaafd Nederlands. Wij hebben nog een maand plat gepraat en toen waren we het kwijt. Ik werd zo hard uitgelachen, dat ik heel snel leerde om zonder accent te spreken. Ofwel met een Antilliaans accent, dat kwam later.
Er was deze middag ook cabaret. Twee dames die vertelden over vroeger, over de winkel van haar moeder. Ik zag velen instemmend knikken toen zij beschreef waar deze winkel zich had bevonden. Ook mijn man knikte mee. Er werden meer herkenninsplekken besproken en wederom deinde de zaal mee. Ik kon niet meedeinen. Los van het feit dat ik geen idee had waar deze plekken zich zouden moeten bevinden, had ik ook een taalprobleem.
De bibliothecaresse en de burgemeester, die ieder ook het een en ander te vertellen hadden, kon ik goed verstaan en zoals gezegd kon ik de meneer van het evenementenbureau nog redelijk goed verstaan. Bij de dames  van het cabaret werd het echter een ander verhaal. Zij spraken zo mogelijk nog platter dan de marktkoopman die zijn kaas aanprijst op de wekelijkse markt.
Misschien dat dorpsschrijver ook te hoog gegrepen is voor mij. Ik zou de verhalen die ik hoor niet kunnen optekenen. Toch eens in de krant kijken of ze ook cursussen Schijndels praten en begrijpen aanbieden want ik kan met zekerheid zeggen dat ik van hun verhaal voor bijna tachtig procent heb kunnen verstaan. Daarbij heb ik nog een kleine tien procent kunnen interpreteren, maar de overige tien procent moet ik ze schuldig blijven. Ik heb werkelijk waar geen flauw idee waar die over gingen. 



test 1

Om uit te testen of deze het weer doet.

dinsdag 25 maart 2014

kleur bekennen

Ik verbaas mij de laatste tijd steeds vaker over het fenomeen ‘verschil in mensen’. Wie bepaalt nu wat de norm is? Moet dat bepaald worden?
Het mooie aan wonen op Curaçao vond ik altijd dat er zoveel verschillende typen mensen woonden en dat ging altijd goed. Of je nu blank of gekleurd was, het maakte niets uit. Welke religie je had, maakte ook niets uit, maar ik merk dat er een verschuiving in tolerantie aan het ontstaan is de laatste jaren. En het lijkt alleen maar erger te worden.
Te vaak komen er discussies langs op Facebook en de lokale kranten waarin de kleur van de mens de toon zet. De kleur van de mens wordt aangegrepen om een mening te mogen hebben of niet. Ben je wel gekleurd genoeg om een mening te mogen hebben, lijkt de tendens vaak te zijn. En daar heb ik moeite mee.
Aan de buitenkant zie ik eruit als de eerste de beste Nederlander, zeker als ik net terug ben op het eiland, veel te wit sta ik op Hato. Doordat ik meteen in het Papiaments begin te praten, met accent (soms geforceerd) dwing ik mensen anders naar mij te kijken en dat lukt ook. Ik wordt acuut geaccepteerd als zijnde, één van hen. In dit geval gaat het enkel over er zijn. Het wordt moeilijker als ik mijn mening wil verkondigen. Ik meng mij uit voorzorg maar niet in discussies. Te vaak wordt het mij duidelijk dat ik geen kant uit kan. Als ik het niet per definitie eens ben met de stelling die genomen is, namelijk dat veel ellende op het eiland veroorzaakt wordt door de blanke Nederlander, dan wordt mij racisme verweten. Dan ben ik ook zo’n Nederlander. Het hebben van een mening is dan ondergeschikt aan de kleur die je blijkbaar uitstraalt. Net zo vaak wordt het slavernij verleden erbij gehaald. Ik mag daar blijkbaar geen mening over hebben als blanke. Het verwijt, jij kan het ook niet voelen, want je hebt niet de juiste kleur hoor ik wel eens, terwijl ik enkel ook een mening heb.
Andersom heb ik er ook last van. Als bekenden een gechargeerde opmerking maken over Antillianen, Marokkanen, Surinamers en ga zo maar door en ik heb daar ook een mening over, dan is dat lastig. Ik heb het gevoel dat ik altijd het standpunt in moet nemen van de verdediging om niet voor racist uitgemaakt te worden, terwijl ik het soms wel met ze eens ben.
Hoe komt het toch vraag ik mij af. Dit was vroeger toch nooit zo’n issue. Waarom nu wel? Gaat het zo slecht op het eiland dat we een zondebok zoeken? Voelen we ons zo veel slachtoffer, dat we geen verantwoording meer durven nemen voor eigen daden en bij voorbaat anderen hiervan de schuld geven. En is dan iemand beoordelen op zijn huidskleur dan niet het makkelijkst? Dat is toch juist datgene dat je zelf niet wil? Dat doe je nu een ander wel aan.

Ik heb mij er bijna bij neergelegd dat ik het toch nooit goed doe. Voor de blanken ben ik te zwart en voor de zwarten te blank. Ik wil graag gezien worden als een multi-gekleurde persoonlijkheid met een duidelijk eigen mening. En ik dacht altijd dat elke Curaçaoënaar dat was. 

zondag 16 maart 2014

seizoenen

Zomer in Nederland, de tuin staat in bloei, het gras is groen, de bomen hebben volop blad. Vogels fluiten vrolijk hun deuntje en een dikke hommel zoemt voorbij. Ik ruik de geur van geroosterd vlees op de barbecue  en hoor het geplons van kinderen die in een zwembad duiken.
Zomer op Curaçao, de tuin staat er droog bij, vanavond even water geven, de vogels vliegen luidkeels door de tuin, de hagedissen schieten onder de struiken door weg. Het vlees voor de barbecue staat klaar in de marinade, maar nu eerst even lekker zwemmen.
Herfst in Nederland, de regen blijft komen, er is geen droge dag te voorspellen, de tuin staat er wat verloren bij, de blaadjes waaien weg van de bomen en de bloemen zijn uitgebloeid, het gras wat in de zomer nog een mooi voetbalveldje was vertoont nu modderige plekken.  Vogels zoeken een veilig heenkomen en muisjes verzamelen hun wintervoorraad. Het buitenleven wordt ingeruild voor het binnenleven.
Herfst op Curaçao, de tuin staat er droog bij, vanavond even water geven, de vogels vliegen luidkeels door de tuin, de hagedissen schieten onder de struiken door weg. Het vlees voor de barbecue staat klaar in de marinade, maar nu eerst even lekker zwemmen.
Winter in Nederland, geen blad hangt er meer aan de boom en de planten houden hun knoppen verborgen. Hier en daar zie je een vogel op zoek gaan naar wat voedsel, wat meestal aangereikt wordt door de mensen in de vorm van vetbollen en pindaslingers. Het gelach van kinderen in de sneeuw is alleen hoorbaar op die witte dagen dat er sneeuw is gevallen.
Winter op Curaçao, de tuin staat er droog bij, vanavond even water geven, de vogels vliegen luidkeels door de tuin, de hagedissen schieten onder de struiken door weg. Het vlees voor de barbecue staat klaar in de marinade, maar nu eerst even lekker zwemmen.
Lente in Nederland, de bloemen beginnen weer te bloeien, de planten staan vol in knop. Het blad aan de bomen vindt zijn weg naar de zon toe, vogels zijn druk in de weer met het bouwen van nesten en zorgen voor hun jong. Kinderen komen weer buiten en buren zien elkaar weer. Het binnenleven wordt verruild voor het buitenleven op die dagen dat we niet verrast worden door voorjaarsstormen en regenbuien.
Lente op Curaçao, de tuin staat er droog bij, vanavond even water geven, de vogels vliegen luidkeels door de tuin, de hagedissen schieten onder de struiken door weg. Het vlees voor de barbecue staat klaar in de marinade, maar nu eerst even lekker zwemmen.

En dan vragen ze nog aan mij, waar zou je nu het liefst willen wonen? 

muizen

Ik ben opgegroeid met allerlei dieren die niet in huis horen. Dat wil zeggen, muizen, ratten, schorpioenen, duizendpoten, maribomba’s (oftewel te grote wespen). Deze heb ik met liefde op het eiland achter me gelaten. Je kan niet alles missen en je kan niet overal heimwee naar hebben. Ik heb gekozen om hier geen vervelend gevoel bij te hebben als ik eraan denk.
Groot is dan ook mijn frustratie dat wij regelmatig met muizen worden geconfronteerd. Zo erg zelfs, dat we muizen hadden in onze voorraad/trapkast. Veel voorraad staat er niet, wat aardappelen en uien, maar wel veel potten en pannen en allerlei kookgerei. Geen plek waar je muizen wil hebben. Dus deze muizenfamilie moest verhuizen. De zachte aanpak werkte niet, wegwijsbordjes werden niet gelezen, deuren open laten staan zodat ze een  makkelijke weg eruit hadden hielp niet. Het buitenrooster waardoor ze naar binnen zouden kunnen komen dichtstoppen met oude kranten hield ze niet tegen, dus de hard hand moest eraan te pas komen. Gif wilden we niet strooien vanwege de kinderen die hier in huis nog wel eens een snoepje laten vallen op de grond en die daarna met het grootste gemak weer verder opeten. Klemmen moesten er komen. Van die ouderwetse houten klemmen. Van die klemmen waar je goed moet oplette hoe je ze instelt, ander heb je zelf eerst drie keer je vingers ertussen zitten voordat hij gespannen is. En een pot pindakaas, want inmiddels waren we wel zover dat we wisten dat muizen dol zijn op pindakaas.  Nu is mijn ervaring met klemmen niet zo heel positief, die ene keer dat wij een rat wilden vangen, die we buiten hadden zien lopen hadden we ook een (ratten)klem gezet, maar voordat we die rat hadden gevangen, hebben we eerst vier vogels moeten begraven die in de klem gevangen zaten.

Dat idee gauw weggestopt in de wetenschap dat we zeker geen vogels binnen hadden en toch die klem maar gezet. En ja hoor, meteen de eerste nacht raak. Een muis. En de tweede nacht ook, en de derde. Tot wel veertien nachten lang. Toen stopte het. Er werd niets meer gevangen, de klemmen bleven op de pindakaas na leeg. Maar wat was het nou? Hadden we een open verbinding met buiten gehad en bleven de muizen elke dag binnenlopen, tot ze zelf een soort van muizenwaarschuwing afgaven aan elkaar met de boodschap: : je komt er wel in, maar nooit meer uit. Of hebben we nu  opa, oma, ouders, oom en tantes en al het kroost in één keer uitgemoord. Ach, zo draagt ieder huisje zijn kruisje, of bij zoals bij ons, ieder huisje herbergt een muisje. 

maandag 24 februari 2014

fietsenrek

Eindelijk heeft mijn zoon zijn fietsenrek. Het heeft een tijd geduurd. Hij was al laat met het krijgen van tanden. Toen hij één werd had hij vier tandjes, terwijl nichtlief, die vier maanden jonger is, er twee keer zoveel had.
Nu zaten zijn voortanden al een hele tijd heel los, al weken. Na een voetbalpartij met zijn vader liet de eerste tand los en niet veel later waren hij en een vriendje aan het boksen waardoor ook nummer twee los liet. Zoals het hoort hebben we beiden tanden in zijn tandendoosje gedaan. Een mooi souvenir van Curaçao in de vorm van een kleine patia doet dienst als tandendoosje.
Zo’n gapend gat in de mond heet hier een fietsenrek. Op Curaçao zal daar ongetwijfeld ook een naam voor zijn, hoewel een fietsenrek mij niet logisch lijkt, aangezien er daar beduidend minder gefietst wordt, laat staan dat fietsen geparkeerd worden in een fietsenrek.
Mijn moeder heeft ook altijd trouw al mijn tanden en die van mijn zus bewaard. Netjes in een doosje op wat watten. Zo wisten wij altijd, onze tanden liggen bij moeder thuis in de kluis. Helaas is die kluis jaren geleden ook ontdekt door dieven die hadden ingebroken in het huis van mijn ouders. De kluis werd gekraakt en naar buiten gegooid. De tanden waren duidelijk niet interessant genoeg. De sieraden en paspoorten waren weg, maar de tanden lagen verspreid door de tuin. Ik geloof dat er nog een enkele gevonden werd, maar welke van wie was, was niet meer zeker. Ook de honden verloren regelmatig tanden, dus wellicht lagen er nog een paar van hen in de tuin. De tanden die nog gevonden werden zijn weggegooid, samen met de illusie dat een kluis bestand zou zijn tegen het dievengilde.

Mijn zoon heeft maar tijdelijk een fietsenrek. Hij zal over een paar maanden niet meer slissen en twee te grote voortanden hebben. Ik zou die dief nog wel een keer tegenwillen komen. Die sieraden en die paspoorten krijg ik er niet mee terug. Hij heeft die ongetwijfeld allang verkocht, misschien wel om een fiets te kunnen kopen. En daar hoort natuurlijk een fietsenrek bij. Kijk, en die wil ik hem graag geven. Met een flinke rechtse geef ik hem met liefde dat fietsenrek. Niet voor tijdelijk zoals bij alle kinderen, maar voor het leven. Zodat ook hij een blijvende herinnering heeft aan dit avontuur.