zaterdag 15 september 2012

Een walsje


In december kreeg ik het boek: Waarom elf Antillianen knielden voor het hart van Chopin. Geschreven door Jan Brokken. Ik heb het in één ruk uitgelezen. Wat een magnifiek boek. Ik heb het verschillende collega’s aangeraden. Collega’s waarvan ik weet dat ze van muziek houden of zelf musiceren. Maar voor mij maakt het het extra leuk om te lezen, omdat de namen van de personages mij zo bekend voor komen.
Ik heb vrienden die zonder twijfel familie zijn van enkele personages. Daarnaast heb ik enkele personages zelf ontmoet of ken ik persoonlijk.
In het kort vertelt het boek over de muziekgeschiedenis van Curaçao. Over de componisten van weleer en over  musici  van nu. Over de Curaçaose wals en mazurka en hoe die zijn oorsprong vond bij Chopin.
Wat mij het meest bij bleef uit het boek was het feit dat de componisten, als ze iemand een plezier wilden doen een wals cadeau deden. Een traditie die  ontstond aan het einde van de negentiende eeuw en dat de gehele twintigste eeuw zou voorduren.
Nu wil het toeval dat mijn vader dit jaar zeventig zou worden. Is geworden inmiddels. Hij heeft zijn hele leven muziek gemaakt en heeft er altijd veel plezier aan beleefd. De gedachte om voor hem een wals te laten componeren was snel gemaakt.
Ik kende ook al een musicus op Curaçao die dit voor ons zo kunnen doen. Rond de jaarwisseling heb ik contact met hem gezocht en hij wilde dit graag doen. In juli was het stuk af. In augustus vierden wij de verjaardag van mijn vader. Het muziekstuk: wals voor Pedro genaamd, was een groot geheim. Nu is iets geheim houden in onze familie niet zo makkelijk, maar het is wonderwel gelukt.
Gezeten op een stoel, in de feestzaal, las ik een passage voor uit het boek. De passage over de traditie wat betreft het cadeau doen van walsen. En bij het einde van de passage lieten wij de muziek horen die gecomponeerd is voor mijn vader.
Zo’n speciaal gevoel. Als echte Antilliaan stond mijn vader op om mijn moeder ten dans te vragen en samen dansten ze als eerste op zijn eigen wals.
Een traditie waar ik nog nooit van had gehoord, maar die wij graag nieuw leven wilden inblazen en bij deze gedaan hebben. Genodigden op het feest waren ontroerd en spraken de hele avond over dit bijzondere cadeau. Niet alleen de Antillianen die er waren. Maar zeker ook de Nederlanders.
Pierre Dunker, de componist van het stuk, heeft een mooi stuk geschreven. Met dank dat je deze taak op je wilde nemen.
Het duurt nog even voordat ik zeventig ben, maar als er tegen die tijd iemand is die voor mij een wals wil schrijven dan zou ik dat een grote eer vinden.  Ik zal proberen om me niet met de compositie te bemoeien. 

zondag 9 september 2012

vakantie 2


Na vier dagen Oostenrijk wilde ik wel doorrijden naar Italië. Naar de warmte. Dertig graden lonkte
en we stapten in de auto.
Na een flink aantal uren in de auto gezeten te hebben, kwamen we aan bij het Gardameer. Een zeer
gewilde toeristische trekpleister bleek wel. Rond het meer alleen maar campings. De één nog groter
dan de andere. Glijbanen vanaf het zwembad van de camping uitkomend in het meer. Boten overal.
Verlekkerd keken we uit het raam en we zagen ons al liggen op het strand, met onze voeten in het
verkoelende water. Een soort van Disney-wateravontuur.
Bij de eerste camping werd ons vriendelijk gevraagd of we gereserveerd hadden en bij ons nee, werd
ons nog vriendelijker verteld dat de camping vol zat.
Dit gebeurde ook bij de volgende twee campings. Inmiddels zat kindlief te jengelen achterin, hadden
wij knallende koppijn en nog geen slaapplek in zicht.
Nog één camping zouden we proberen. Bij aankomst bleek al snel dat dit een kansloze missie was.
Op de parkeerplaats voor de camping stonden zeker twaalf caravans, aangesloten op stroom, te
wachten tot er een plekje vrij zou komen op de camping. Sommigen stonden er al vier dagen.
Gedesillusioneerd zochten we een parkeerplaats op. Wat nu? Ik ging op zoek naar een toilet, want
ook dat begon te dringen en bij terugkomst werd mij verteld dat we naar Verona zouden gaan. Nu
ben ik ooit toeristisch management assistent geworden via Schoevers, en heb ik van de hele wereld
alle highlights moeten leren, maar Verona is niet blijven plakken op mijn harde schijf. Lichtelijk
chagerijnig stapte ik weer in de auto. Nog verder rijden en dan nog wel naar zo’n duffe industriestad.
Geen vertier, geen vermaak, geen Disney-gevoel. In Verona hebben we een hotel geboekt. Midden
in het centrum waar we een hapje gingen eten.
En wow, wat is Verona een prachtige stad. Ik werd spontaan verliefd en wil er nog een keer naar
terug.
Budgettair, de volgende dag, toch uitgecheckt uit het hotel, en doorgereden richting Venetië. Met de
kennis van de vorige dag, nu eerst gebeld naar een camping en die hadden nog plek genoeg.
We hadden een prachtig plekje. Prachtig weer, tropisch warm, ik voelde mij er helemaal thuis. Vanaf
de camping liepen we zo het strand van de Adriatische kust op. De temperatuur voelde aan als de
Caribische zee, de kleur deed erg denken aan de Noordzee.
Er woei de hele dag door een zacht briesje, beter konden we ons niet wensen. Hoewel, de sta-plekken
waren zandplekken en bij elk zuchtje wind, woei er een woestijn aan zand mee naar binnen. Na
één dag snapten we ook waarom de buren allemaal bezems bij zich hadden, en veel windschermen
en luifels. Vanwege de warmte hadden wij geen binnentent meer nodig, maar na vier dagen zandhappen
wilde ik wel weer naar huis. Naar het comfort van eten zonder zand. Naar het comfort van
een koelkast met gekoeld drinken. Niet naar de campingwinkel lopen, de bartender lief aankijken
en met een zakje ijsklontjes weer terug naar de tent waar we in ieder geval op dat moment een koud
roseetje konden drinken.
En zo gezegd, zo gedaan. We zijn de volgende dag in één keer teruggereden naar huis. Hebben gedoucht
tot het doucheputje echt vol zand zat en zijn toen heerlijk gaan slapen in een bed zonder
zand. In een kamer zonder muggen, en met een koelkast binnen handbereik met koude drankjes.
Kamperen is leuk, maar een beetje comfort is ook zo gek nog niet.

dinsdag 4 september 2012

Vakantie


Gaan we naar Italië of naar Spanje? Het hele voorjaar had Italië de voorkeur. Via Oostenrijk, doorsteken naar Italië. Naar het mooie weer. Op het laatste moment kwam Spanje om de hoek kijken. Ook leuk. Ook te rijden.
We zouden vrijdag vertrekken en de donderdagavond ervoor besloten we dat het toch Italië zou worden en dat we ook maandags pas zouden vertrekken. De eerste nachten zouden we immers doorbrengen in Zuid-Duitsland en Oostenrijk en daar was het heel slecht weer. Veertien graden en regen. Geen weer om een tent op te zetten, laat staan te gaan kamperen.
Zondagmiddag ben ik de spullen gaan klaarzetten. Alles wat mee moest bij elkaar. Ondertussen werd het laatste stuk van het huis verbouwd door mijn man. Hij hielp dus niet mee met inpakken. En dat was een cruciale fout bleek later.
We reden de eerste dag tot ver in Duitslang. Zo’n honderd kilometer voor de Oostenrijkse grens zochten we een camping. Een mooie camping, op een hoog plat. We zouden er maar één nacht blijven en voor deze ene nacht hadden wij een kleine tent gekocht. Zo’n tent die je opgooit en hij staat. Alleen een scheerlijntje spannen en klaar is kees. Thuis geoefend, ging geweldig.
We pakken de tent uit de hoes en gooien hem op. Hij ontvouwt zich mooi, komt neer en plof. Hij zakt als een plumpudding in elkaar. Alle stokken steken overal uit en er is niets meer over van de mooie, voor één nacht tent. Weer inpakken, om bij de winkel verhaal te halen, is een onmogelijke  taak. De tent laat zich niet meer invouwen, de stokken weigeren elke buiging. We besluiten om de stokken eruit te halen en daar te laten. We nemen ons verlies en besluiten om de grote tent op te zetten.
Die staat sneller dan verwacht. ‘Schat, waar is de binnentent’, hoor ik mijn man zeggen. ‘Die zit ook in de zak’, zeg ik, maar ik vrees voor het ergste. Ja hoor. ‘De binnentent zit in een aparte zak, heb je die niet ingepakt?’.
Nee, zeg ik, en ik voel de woede omhoog borrelen. Ik heb de campingspullen ingepakt. Ik vond het al knap dat ik alles had gevonden. Was stiekem best trots op mezelf. Nu even niet meer. En mijn man staat krom van het lachen. Hij ziet er de humor wel van in. Ik stond op het punt om naar huis te rijden .
Inmiddels zijn we ervaren kampeerders hoor. Van de kapotte opgooitent hebben we provisorisch een binnentent gemaakt. Bij gebrek aan grondzeil ( ook vergeten) hoopten we op een droge nacht, wat ook gebeurde. En de volgende dag in Oostenrijk hebben we eerst een bezoek gebracht aan een bouwmarkt, waar we het grondzeil kochten.
Deze Antilliaan krijgen ze niet meer gek hoor. Nu was het de binnentent. Een vorige keer hadden we wel stoelen bij ons, maar geen tafel. En weer een andere keer wel bestek, maar geen borden. Ik ben benieuwd welk essentieel onderdeel we de volgende keer missen. En zolang het bij kamperen blijft valt het wel mee.

zondag 26 augustus 2012

35 graden in Nederland


35 graden in de schaduw in Nederland. We maken het niet elke dag mee. Dus als het warm is willen we allemaal naar de zee. Nu liggen de afstanden hier toch net iets anders dan op Curaçao , dus even snel naar Banda Bao zit er niet in.
Al vroeg stappen we in de auto, koelbox staat op de achterbank. Niet gevuld met ijsblokjes, maar met koelelementen, die de nacht ervoor in de vriezer hebben gelegen. We zijn niet de enigen die naar het strand willen. Met ons rijdt half Nederland richting het westen. Het gevolg is dat we al snel in de file staan. Niet even een kwartiertje, nee, een paar uur.
Drie uur later dan gepland zijn we dan toch bij de zee. Dat wil zeggen. Op de parkeerplaats om bij de zee te komen. We halen een kaartje bij de automaat en rekenen vast uit dat dit dagje parkeren minstens vijftien euro zal gaan kosten. Gelukkig staat de auto wel in de volle zon. Die moet toch ook kunnen genieten van het mooie weer.
We lopen het strand op waar de moed je van in de schoenen zakt. Half Nederland is naar dit stukje strand gekomen. Er is geen plek meer is de eerste gedachte.  Toch maar even doorzetten. Langs de gegraven kuilen van ongetwijfeld Duitsers zigzaggen we over het strand richting water. En we vinden nog een plekje ook. Tussen een familie met veel kinderen in de leeftijd van ‘ik gooi graag met zand’ en een groep puberende vrienden die onder luid gejoel veel biertjes wegdrinken waarna het blikje met veel vertoon  op een steeds groter wordende stapel wordt gegooid.
Nadat we onze spullen hebben uitgestald lopen we richting water. Het zand is gloeiend heet aan de voeten. Waarom is dat op Curaçao alleen op Playa Pretu en nergens anders? We lopen zo steeds sneller om bij de eerste natte plekken in het zand op onze tenen dansend verder te gaan. De schelpen zijn scherp, ze doen zeer aan onze voeten. Hebben wij nou eelt? Dat hadden we wel. Zijn onze voeten inmiddels eeltloos door al die jaren in schoenen? Of zijn de schelpen hier harder en scherper?
Dan hebben we toch eindelijk het water bereikt dat ijzig koud is. Het kan dan op het strand wel ruim dertig graden zijn, het water heeft minder goed zijn best gedaan. Toch is de afkoeling lekker.
Terug op de handdoek blijken de koelelementen niet opgewassen tegen zoveel warmte en zijn de drankjes lauw en daardoor net niet lekker. Een ijsje bij de ijskraam geeft verkoeling en verarming. We betalen de hoofdprijs.
Rond vijf uur terug naar huis. Weer in de file. Geen bbq op het strand, mag allemaal niet. Geen happy hour. En al zou die er zijn, met drank op achter het stuur hier is vragen om een peperdure bekeuring of inname rijbewijs.
35 graden in Nederland. Yes, heerlijk, het voelt als thuiskomen op een windstille  dag. En het leed dat erbij hoort nemen we voor lief. Als we ’s avonds thuis zijn en in de hete kolen van de bbq kijken denken we aan die stranden op Banda Bou waar je in de middag heen reed, geen file, onderweg stoppend bij de snack om wat zakken ijs in de jug te doen die het drinken de rest van de middag koel hield. Waar je de bbq in het begin van de middag al aanmaakte op het strand, om aan het einde van de middag naar de happy hour te kunnen rijden waar je nog een borrel pakte voordat je naar huis reed. Zucht, 35 in Nederland maakt me weemoedig.

zaterdag 18 augustus 2012

eilandgevoel


Het eilandgevoel is iets wat je niet zomaar aan anderen kan uitleggen. Het is fijn, het is speciaal en ja, het heeft ook zijn beperkingen.
Het wordt door onwetenden nog wel eens met een dorp vergeleken. Nee dus, daar kan je uit wanneer je wil. Je rijdt een stuk en weg ben je. Als je lang genoeg doorrijdt komt je wel zee tegen, en als je nog langer doorrijdt kom je nog meer zee tegen, maar nee, dat is dus niet hetzelfde.
Om toch dit gevoel zo nu en dan even terug te pakken is er wel een remedie. Op zoek naar een eiland. En in Nederland is de meest voor de hand liggende Texel.  Met de boot ben je in een klein uurtje in Texel. Een eiland dat beduidend kleiner is dan Curaçao. Formeel is het groter, 585 vierkante meters, maar daarvan liggen er ruim vierhonderd in het water. Het deel dat bovengronds ligt is 170 vierkante meter, tegenover de 444 vierkante meter die Curaçao ongeveer telt mag men stellen dat Texel kleiner is.
Dat geeft helemaal niets. Het is een leuk eiland en heeft voor ons maar één doel. Het eilandgevoel geven en dat lukt. We moeten betalen om met de boot op het eiland te komen.  De terugreis kost niets, iedereen wil weer weg is het motto, dus die boot zit wel vol.
Beste KLM en Arke Fly, neem hier een voorbeeld aan. Verhoog de enkele reis met de helft en geef de mensen een gratis terugreis. Ik denk dat de heer Geert Wilders dit de beste oplossing vindt voor het immigratiebeleid waar hij het zo niet mee eens is. Geef de Antillianen de mogelijkheid om terug te kunnen naar hun eiland voor minder geld en met een beetje geluk blijven ze weg.  Wellicht dat de heer Wiels, dit ook een oplossing vindt voor het eiland, maar dan andersom. Biedt de Nederlanders op het eiland hetzelfde voordeel aan.
Ook qua landschap voel je je hier wel thuis. Veel zand, weliswaar vooral in de duinen, in plaats van  opgespoten op de stranden, schapen in plaats van geiten, en ook hier uitgaansgelegenheden en een supermarkt. De zonuren, daar schort het nog wat aan, hoewel het in Texel toch bijna altijd mooi weer lijkt te zijn.  Maar het mooiste is toch dat ronde gevoel. Dat gevoel van: als ik te hard rij, dan kom ik een zee tegen, maakt niet uit welke kant ik uit ga. Als ik van dit eiland weg wil, dan zal ik hulp daarbij moeten hebben. Het zij een vliegtuig, het zij een boot.
Behalve Texel zijn er nog een paar Waddeneilanden. Eén daarvan, Rottermeroog is onbewoond. Nu de heer Wiels en de heer Wilders beiden uitgeregeerd zijn is het misschien een idee om dit aan hen cadeau te doen. Geen gouden handdrukken of zelf gecreëerde luxe ambtenaren posten. Nee, enkel die  ‘special boattrip’, die ook naar Texel vaart. Heenweg betalen, terug gratis  zolang de boot vaart. Als de boot vaart.  Het ultieme eilandgevoel. 

zondag 12 augustus 2012

Churandy Martina


En we hebben er weer een held bij. Churandy Martina. Wat een loper. Of hij nu wint of verliest maakt ons niets meer uit. Hij staat bij de Olympische Spelen. Bij de 100 meter zelfs in de finale. Bij de 200 meter wellicht ook, maar dit is geschreven voordat dat bekend is. Hij heeft zich nu geplaatst voor de halve finale.
We waren nog onderweg in de auto. ‘Zijn we op tijd thuis om die wedstrijd te zien?’, wilde ik weten. Je kijkt toch steeds de samenvatting in de ochtend vroeg manlief. Ja, dat is ook zo, maar nu niet. Dit wilde ik natuurlijk live zien. Geef ons Antillianen een Antilliaan op tv en we zitten klaar. Fans van het eerste uur. Zo gek als de gemiddelde Nederlander wordt bij voetbalwedstrijden, zo gek zijn wij op elke sport zolang er maar een Antilliaan in mee doet.
En we zaten op tijd voor de buis. Wat een spanning, wat een kracht en wat kan hij lopen. En hij stond in die droomfinale. Hij werd zesde, wat een prestatie.
Maar dan dat commentaar. Ik hoorde ( na een kwalificatieronde) een verslaggever ter plaatse zeggen: ‘Als je nu sneller was gestart, dan had je misschien wel gewonnen’. En niet één keer, hij maakte deze opmerking twee keer.  Gelukkig was Churandy lekker nuchter en vooral blij dat hij de finale had gehaald. Hij lachte zijn gouden tand bloot en bleef beleefd. Zelf had ik die verslaggever het liefst een paar nieuwe gouden tanden gegeven, nadat ik eerst een paar witte uit had gewerkt. Om het nog een beetje netjes te houden: wat een ontzettend nare man was dat.
Inmiddels zijn er ook andere verslaggevers en televisie presentatoren geweest die deze bijzondere jongen net niet de credits geven die hij verdient. Ze weten denk ik niet zo goed in welk hokje ze hem nu weer moeten stoppen.
Nu krijg ik vast het commentaar dat ik dit zo erg vindt omdat het een Curaçaoënaar overkomt, ja natuurlijk, maar ik erger me al langer aan de verslaggeving op de televisie hier.
Die hokjes daar is Nederland zo goed in. Iedereen past er wel in één. En als je nergens in past, dan verzinnen ze er wel één voor je. Nu is Churandy niet snel ergens in te stoppen. Ja, hij komt van Curaçao, maar komt uit voor Nederland. Wat ben je dan? Een Curaçaose Nederlander, een Caribische Nederlander, een Nederlandse Curaçaoënaar,  een Nederlander, een overzeese Nederlander, en ga zo nog maar even door.
Waarom kan hij niet gewoon Churandy Martina heten, een enorm sterke atleet? Waarom in een hokje, zolang hij binnen die lijntjes blijft lopen is hij mijn held. Go Churandy, go !

dinsdag 7 augustus 2012

lunchen


Lunchen. Je kan niet zonder en je kan niet met. Je moet iets eten tussen de middag. Anders hou je de dag niet vol, maar wat hè. Zoals de meeste mensen ben ik de hele dag op mijn werk. Ik heb een continue rooster, dus even tussendoor naar huis zit er voor mij niet in. Ik moet ’s ochtends bedenken wat ik om 12 uur wil eten.
En dat weet ik dus niet. Meestal gooi een half brood in mijn tas, wat vleesbeleg, een pot pindakaas en wat kaas. Daar kan ik redelijk mee uit de voeten. Je kan er een tosti van maken, of iets dergelijks. Ook wil ik nog wel eens het kliekje van de vorige avond mee nemen. Dan warm ik dat op in de magnetron. Tot groot verdriet van mijn collega’s die al die heerlijke geuren door de koffiekamer heen ruiken en zelf hun meegebrachte bruine boterham met kaas eten.
Ik denk terug aan de johnny cakes, de kroketten, loempia en pan ku ham hasa die we kochten bij de snack naast de school, of bij de buurvrouw van de school die vanuit een raam in de achterkamer li verkocht. Zo lekker, altijd te veel. De pauzes duurden altijd korter dan dat de li duurde. Stiekem meenemen lukte niet, dus het laatste restje werd vaak weggegooid, nadat je nog een laatste teug van de li nam.
Op onze school zat een Chinese jongen die elke dag een saté ku batata kreeg. Zijn moeder kwam die elke dag persoonlijk brengen. Achteraf gezien best zielig. Die jongen was al niet de slankste, zou dat met deze moeder ook nooit worden. Laat staan het feit dat je op je zestiende nog eten gebracht krijgt van je moeder. Reden om toch een traumatische jeugd te hebben.
Hier zie je in de supermarkten borden hangen dat schoolgaande jeugd alleen naar binnen mag in de pauzes, als ze hun tassen bij de ingang laten liggen en niet met meer dan vier tegelijk door de winkel heen lopen. Ze kunnen beter op school hun lunch kopen, maar op de meeste scholen zijn de broodjes kroket vervangen door broodjes gezond en in de snoepautomaat liggen nu ook zakjes wortelen.
Zelf heb ik dus geen tijd om buitenschool een lunch te halen. Dankbaar ben ik vaak voor de jarige kinderen die chips komen uitdelen. En voor de achtste groepers. Sommigen van hen hebben toestemming van hun ouders om boodschappen te mogen doen voor ons leraren. Zo sturen we ze wel eens op pad om een Turkse pizza te halen. Met saus en sla erop. Een beetje: tur kos ariba.  Maar om niet net als mijn Chinese schoolgenoot te eindigen als best lopende voorbeeld bij de Weight Watchers, eet ik die pizza maar één keer in de maand. En geniet ik met lange tanden de andere dagen van mijn broodje kaas.