zondag 8 april 2012

airco

Ik wil een airco. Het hoeft geen dure of grote te zijn, als hij het maar doet. De zomers in Nederland kunnen zo warm zijn. Temperaturen rond de 35 graden halen we makkelijk. Wat is het verschil zou je bijna denken. Waar zeurt ze nou over. Lekker toch. Ja, maar het waait niet hier. Het is windstil, alleen die drukkende hitte is aanwezig.
Je zit in de tuin, kind speelt in het zwembadje en je puft en zucht de hitte wat weg. Het liefste zit ik dan binnen, dat is koeler, maar dat geeft weer zo’n gedoe met zo’n zwembad. Al dat water in de woonkamer is ook niet handig.
Als de avond invalt wordt het niet koeler. De temperatuur blijft gelijk. Een koude douche brengt even verkoeling, maar al gauw loopt het zweet alsnog langs je rug naar beneden.
Zonder dekbed slapen ligt niet in mijn aard. Ik moet iets over mij heen voelen. Op Curaçao lig ik ook onder een dekbed, maar daar hebben we airco, dus dan moet het wel, anders heb ik het koud. Alleen een laken, vind ik te kaal. Ik heb een vals gevoel van veiligheid bij een dekbed.
Ook in Nederland slaap ik dus onder een dekbed. Ook in die bloedhete zomer. Al gauw sla ik de deken van mijn voeten weg. Mijn man snapte dit gebaar nooit, tot hij de eerste keer mee ging naar Curaçao en de koelte van de airco over zijn voeten heen voelde toen ik ook daar de deken wegschopte. Het is warm in bed, veel te warm. Ik wil niet klagen. Ik klaag altijd dat ik het te koud heb. Ik mag niet klagen. Ik word niet meer serieus genomen als ik het wel doe, maar het is zoooooooo warm. Voorzichtig sla ik de deken van mij af, maar al snel haal ik die weer over mij heen. Die veiligheid he. 
Zullen we een airco nemen begin ik de volgende dag. En dan begint het. Wat voor een airco. Een mobiele voor in de kamer, of meteen een split unit, zodat we ook de kinderkamer boven kunnen verkoelen. Via google leren we veel over airco’s. Hoe ze werken, wat het meest geschikt is voor bij ons, wat ze kosten, en dan ineens is de interesse er niet meer. De temperatuur buiten is gedaald. Er zijn verschillende onweer- en regenbuien overgetrokken en het is niet warm meer. De temperatuur is aangenaam. Zelfs kil op sommige momenten. Zal ik de verwarming stiekem aanzetten? Nee, het is zomer, doen we niet. Dan maar een trui aan, maar kil is het wel.
Ik zie een advertentie voorbij komen van airco’s. wat een onzin. Het is 15 graden en ze maken reclame voor een airco. Geen mens die er één wil hebben. Of toch? Elk jaar buigen wij ons opnieuw over deze vraag en elk jaar weer hebben steeds meer vrienden van ons een airco. En wij niet. We slapen met het raam open, de muggen alle vrijheid gevend om zich tegoed te doen aan ons bloed , zweten ons bed uit en zijn blij dat we geen hielkloven hebben , zodat met sokken aan slapen ons even bespaard blijft. 

zondag 1 april 2012

vegen

Poetsen is vooral fijn aan het einde van de rit. Als alles aan kant is en schoon. Dan ga je op een stoel zitten en kijk je tevreden de kamer rond en geniet je van je werk. Het is weer schoon. Dat jij ondertussen zwart ziet van het vuil doet even niet ter zake.
Hier heb ik een stofzuiger. En een bezem. Die bezem moest ik hebben,hoewel ik hem bijna niet gebruik. Alleen als anderen televisie kijken, naar een Nederlandstalig programma, dus zonder ondertiteling en ze niets willen missen door het stofzuigergeluid.
Op Curaçao hebben we een bezem. Heel even een stofzuiger gehad, totdat die het begaf. Sindsdien alleen een bezem.
Wat maakt nou het verschil vraag ik me dan af. Drempels. Dat maakt het verschil. Als ik hier veeg met de bezem, dan moet ik aan het einde van de kamer een stoffer en blik pakken, want de drempel voorkomt dat ik verder kan vegen. Op Curaçao zijn geen drempels. Je veegt net zolang door tot je buiten bent. Je veegt het vuil de tuin in , of de straat op. Dat het niet veel later weer naar binnen waait is wat jammer, maar niet onoverkomelijk. Dan pak je namelijk weer die bezem en veeg je weer even rond.
Niet alleen drempels zijn de spelbrekers van het vegen in Nederland. Ook de vloerbedekking. Dat veeg je niet. Dat moet je stofzuigen. Wij hebben in ons huis nauwelijks vloerbedekking, wel een paar drempels. Op cruciale plaatsen. Bij de voordeur en bij de achterdeur. En aangezien ik altijd hele leuke stoffer en blikken koop, met bloemetjes of stippeltjes, van een kwaliteit die bij één keer kijken al uit elkaar valt, gebruiken wij veel de stofzuiger.
Dweilen doen we wel. Dat geeft echt een schoon gevoel. Nu kreeg ik via een vriendin op facebook de tip dat ze in Den Bosch disiclin verkochten. Bij de toko. De eerste de beste gelegenheid die ik had ben ik erheen gereden en heb dit ingekocht. Disiclin, dat ruikt naar thuis. Mijn man vond het best, maar verklaarde me wel voor gek. Normaliter koop ik iets van een allesreiniger. Die kost mij dan zo’n 1.50 euro per fles. Deze flessen uit Curaçao ( het staat er zelfs op) kostten mij 3 euro per stuk. Ook moest ik parkeergeld betalen om bij de winkel in de buurt te komen. Al met al hebben twee flessen mij samen zo’n kleine 8 euro gekost. Omgerekend is dat een kleine  20 gulden.
Ach, als dat geld nu ook op de juiste plek terecht komt dan heb ik behalve een schoon, maar vooral lekker ruikend huis, ook een goede daad gedaan. Maar waarschijnlijk blijft er hier ook een hoop geld achter bij diegene die het niet nodig hebben, waardoor het toch een beetje stinkt.

zondag 25 maart 2012

k(r)amperen

Op vakantie gaan met de tent lijkt nog zover weg, maar voordat we het weten is het weer zomer. Elk jaar nemen we ons voor om een verre reis te gaan maken. Naar Canada, Brazilië, Nieuw-Zeeland. Met een camper rondreizen bijvoorbeeld.
En elk jaar weer dwingt ons budget ons weer om te gaan kamperen. Ik heb nog het geluk dat ik als kind in Nederland woonde. Dat mijn ouders van kamperen hielden, dus ik was ermee bekend. Maar de jaren in de tropen hebben mij wel verwend hoor. Als we op vakantie gingen, gingen we naar een hotel. Dat je in Amerika bijvoorbeeld ook goed kon kamperen hoorden we pas later. Daarnaast moet je dan alles daar nog huren. Ik zag ons niet snel met een tent het vliegtuig in stappen om  die ergens in Florida uit te vouwen. Laat staan het chemisch toilet dat je mee zou willen nemen. ‘Hallo stewardess, ik heb een budget ticket, want ik heb mijn eigen toilet meegenomen’.
De eerste paar keer kamperen na mijn terugkomst in Nederland waren bijzonder. Ik kwam erachter dat ik van de kou toch best vaak naar het toilet moest. Zeker in de avond en de nacht. Op de camping heb je toiletgebouwen. Daar wil je niet naast staan, vanwege de geuren die soms vrij komen, en ook niet vanwege al het volk dat daar meerdere keren per dag langs komt. Maar je wil er ook niet te ver vandaan staan. Tegen de tijd dat je terug bent bij je tent kun je weer gaan lopen.
En dat overkwam mij in het begin nog wel eens. Ik ging nog even naar het toilet voor het slapen gaan, maar door de kou en de wandeling moest ik weer toen ik weer bij de tent was. Ik weet van anderen dat zij dan gewoon naast de tent nog een keer gaan, maar het jaar erop hebben wij een chemisch toilet meegenomen.
Een losse wc die je in je tent zet. Niet het comfort van een hotel, maar vergeleken met de toiletgebouwen een ware luxe. Niet meer die koude camping over voor het slapen gaan, maar gewoon even plassen naast je bed. Wel even het licht uit doen, anders ziet de rest van de camping dat je zit te plassen.
Op Curaçao hebben we ook wel eens gekampeerd. Kramperen noemden we dat toen. Kramperen op San Juan baai, domino spelen tot in de vroege uurtjes, met angst kijken naar de lichtjes op zee die duidelijk seinden naar een auto die aan de andere kant van de baai was komen aanrijden. Hopen dat het niet zou gaan regenen, want de enige bescherming die we bij ons hadden waren de auto’s. Dronken worden en ruzie maken met elkaar. En dan de volgende dag besluiten, na een nacht zonder slaap, dat het kramperen was in plaats van kamperen.
Kamperen deden we wel op Coral Cliff bij de regata. Nu hadden we echte tenten bij ons. Wie die meegenomen had weet ik niet. Wat die mensen met tenten op Curaçao moesten weet ik ook niet. Maar slapen deden we ook nu niet. Bloedheet natuurlijk in die tentjes, veel muggen, maar vooral veel te veel plezier.
Naar het toilet gaan was hier overigens niet zo’n probleem. De zee lag naast ons,  het grootste open riool van de wereld. Daarnaast was het niet koud, dus met één keer lopen  was ik klaar. 

zondag 18 maart 2012

spoken

 Ik zie en berichtje voorbij komen op facebook over een dochter die een ouijabord wil aanschaffen. De reacties liegen er niet om. Niet doen. De meesten geven aan er vroeger één gehad te hebben, er niet in te geloven, maar toch om het niet te doen.
Ik woon in nuchterland. De mensen hier geloven niet in dat soort dingen. Ik heb wel eens iets geroepen op mijn werk, maar het werd afgedaan als grote onzin. Behalve door die ene collega die iets van Indisch bloed in zich heeft zitten.
In mijn pubertijd deed ik er niet veel mee. zo’n ouijabord hadden wij  thuis niet. We maakten het zelf. Allemaal kaartjes met daarop de letters van het alfabet, een ja en nee kaart en een glaasje. Ik geloof dat ik niet één keer mee heb gedaan. Veel te eng vond ik het. Stel je toch eens voor dat dat glas echt vanzelf zou gaan bewegen.
Wel hebben we spookhuizen bezocht en veel spookverhalen vertelt aan elkaar. Altijd diep in de nacht. Meestal met de nodige drank op. Die verhalen deden mij veel. Het verhaal over de Caracasbaaiweg, dat daar een man lifte , en als je die geen lift zou geven, dan zat hij ineens in je auto en kreeg je een ongeluk. Jarenlang heb ik niet door de achteruitkijkspiegel durven kijken op de Caracasbaaiweg. Stel je voor dat hij er zou zitten.
Of die non op Barbara beach. Dat zij om 12 uur ’s nachts op de trappen van het strand zou staan met haar hoofd in haar handen. En toen waren wij op een weekendhuis aan het Spaanse water. En we gingen varen. Om 12 uur precies, midden in de nacht voeren wij voor Barbara beach langs. Ik ben nog nooit zo bang geweest als toen. Ik was ook nog nooit zo blij toen we weer terug waren bij het weekendhuis. Heb geen oog dicht gedaan die nacht.
Spookhuizen bekijken had ik beter bekeken. In die tijd was ik van onze vriendengroep één van de weinige met een rijbewijs. Als en of we gingen kijken bij een spookhuis had ik dus zelf in de hand. Voelde ik mij op dat moment niet lekker of veilig genoeg, dan had ik geen zin. Ik had het rijbewijs, dus ik bepaalde. We zijn er wel eens geweest, maar meestal overdag.
Aan de ene kant vond ik de verhalen doodeng, aan de andere kant fascineerden ze me enorm. Moest ik het nou geloven of niet. Is er meer na het leven op deze wereld? Ik wil dat wel graag geloven.
Dan wil ik wel graag komen spoken, maar alleen bij mensen die er niet bang voor zijn. Of bij mensen met wie ik nog een appeltje te schillen heb. Ik zal ze in ieder geval in Nederland een ander inzicht geven in het hiernamaals. Niks geen ouijaborden, gewoon met die glazenschuiven. Aan tafel bij het eten, even ruilen mensen. Niet moeilijk doen, niet allerlei mediums bellen, gewoon even aan de buurvrouw vragen, je weet wel, die uit Curaçao komt. Die kan jullie helpen. Vertellen dat het heel gewoon is en dat ze zich geen zorgen hoeven te maken. Hooguit bij het wegrijden. Als er een lifter staat. 

zondag 11 maart 2012

kloven

Winterkloven doen zo’n pijn. Ik had er nog nooit van gehoord. Ook nooit last van gehad. Tot een paar jaar geleden. Kleine scheurtjes in het eelt op je vingers en tenen, die maar moeizaam genezen. Die ontstaan in de winter bij vrieskou. En pijn dat ze doen. Op dit moment heb ik er vier, aan beide handen twee. Ik smeer me gek met allerlei crèmes, daaroverheen een pleister, zodat de zalf goed blijft zitten, maar gedurende dag laten de pleisters los en ’s avonds voelen de  kloven weer als de dag ervoor: pijnlijk.
Dat is toch wel een voordeel als je in de tropen woont. Dan heb je dat niet. Niet van de kou althans. Ik heb gemerkt dat ik ook eeltkloven krijg van het dragen van slippers. In Nederland dan hè. Lekker op de slippers de tuin in en na een paar dagen gruwelijke pijn in de hielen van de eeltkloven. Ook die weer te lijf gaan met zalf en crèmes, nu de voeten gewikkeld in sokken. Wat op zich niet erg is, maar bij 35 graden, zonder airco, naar bed gaan met sokken is vreemd. Zelfs voor een Antilliaan die het altijd koud heeft. Maar het helpt en dat is het belangrijkste.
In mijn herinnering had ik er nooit last van, dus bij het inpakken van mijn spullen deze kerstvakantie had ik er ook geen rekening mee gehouden om deze crèmes mee te nemen. Het is daar geen winter, dus voor mijn handen had ik ze niet nodig. En voor de voeten, ach, ja, ik loop veel op slippers, maar ik had er nooit last van, dus waarom nu wel. Daarnaast smeerde ik mijn hele lijf goed in met zonnebrandcrème; ik zou de hielen ook meenemen.
De eerste week ging het goed en toen begon het. Met gebarste hielen naar de botica om iets te vinden wat ertegen hielp. Genoeg. Van 30 gulden tot 8 gulden. Het werkt hetzelfde mevrouw, dus ik zou voor die van 8 gulden gaan. U kan er ook aloë opsmeren, dat helpt overal tegen.
En dat klopt. Ik heb in Nederland wel eens gezegd, ik wil een aloë plant op de verwarming. De enige plek waar de plant het overleeft in dit land. Als ik dan een wondje heb, dan knip ik een steeltje eraf en smeer het vocht van de plant erop. Makkelijker gezegd dan gedaan. Voordat de plant een beetje aan volume heeft gewonnen, zijn we hier een paar jaar verder. Daarnaast is de lucht denk ik te droog, waardoor hij weinig vocht afgeeft.  Dus in plaats van een mooie exotische plant op de vensterbank kijken we nu aan tegen een verdroogd iel plantje met afgeknipte takken. Ik zal er een bordje boven hangen: verminkt wegens kloofhielen, gaat  in het voorjaar naar een sanatorium naar zee, de Atlantische oceaan om precies te zijn, om aan te sterken, zodat ze volgend jaar weer winterkloven kan behandelen. 

zondag 4 maart 2012

poetsen

Mijn huis is te groot. Ik heb te veel kamers en ruimtes. Heerlijk om alle spullen op te kunnen ruimen, maar om het schoon te houden. Wat een werk.
Tijdens de verbouwing viel het wel mee. Ik vroeg mij wel eens af, hoe kan het toch dat we het huis ondanks de verbouwing toch nog redelijk schoon houden. Makkelijk. Er waren een heleboel kamers niet klaar, die lagen in puin, daar hoefde niet gepoetst te worden.
Geleidelijk aan werden ruimtes afgemaakt en kwamen er dus kamers bij die klaar waren. En kamers die klaar zijn, moeten ook schoongemaakt worden. Nu ben ik heel goed in die Franse slag, dus zo op het eerst oog lijkt het heel wat bij ons, maar trek geen bank opzij of een kastje van zijn plek. Daar komen de stofzuiger en de dweil  bij lange na niet genoeg.
Gelukkig ben ik niet zo’n huisvrouw die de hele dag door poetst. Ik heb een tante waar het altijd spik en span is. Zelfs de draadjes van het perzisch tapijt worden met een vegertje recht geveegd als de hond ze wat verschoven heeft. Zo wil ik niet zijn, maar iets meer dan nu zou wel mogen.
Op Curaçao hadden we altijd iemand die kwam poetsen. Meestal hele fijne dames, maar soms ook verschrikkingen. We hebben het wel meegemaakt hoor. Van abortussen die op ons toilet zijn gepleegd en diefstal tot van die types die ineens gingen moederen over je, terwijl je al achttien bent en al moeite genoeg hebt met je eigen moeder die natuurlijk ook nog moedert.
Maar zoals gezegd, ook hele fijne dames. Die kakkerlakken achterna zaten voor je, die zelfs de tienerkamer wel schoon wilde maken.
Nu overwegen wij ook een mevrouw in huis te nemen die hier komt poetsen. Maar hoe pak je zoiets aan? De grootste vraag is natuurlijk, wie is er te vertrouwen?  Hier adverteren de dames niet in de krant. Hier hangen ze een kaartje op in de supermarkt waar ze kenbaar maken dat ze willen komen poetsen. Ik heb meerdere keren zo’n kaartje meegenomen, maar nooit gebeld. Te veel twijfels had ik. 
Liever heb ik iemand die al bij een ander poetst. Die al bekend is, dat ze te vertrouwen is, maar de mensen die ik ken die een poetsmevrouw hebben zijn allemaal niet tevreden over haar. Ze poetst niet goed genoeg, ze maakt zich er makkelijk van af, soms denk ik dat ik wel eens iets mis, ze belt de halve tijd, ze rookt stiekem in mijn huis, ze gaat eerder weg dan de afgesproken tijd. Kijk, die mensen wil ik dus niet bij mij over de vloer hebben.
En zo komt het dat ik nog steeds niemand heb om te poetsen bij ons thuis. Dat ik het zelf doe. Met de franse slag, dus als u op bezoek komt, dan bent u van harte welkom, als u maar niet de bank een andere plek in de kamer wil geven. Dan krijgt u er een stofzuiger en dweil bij in de hand. 

zondag 26 februari 2012

carnaval

Carnaval is weer achter de rug. Ik ben er niet rouwig om. Kon ik er in mijn kindloos tijdperk nog redelijk onderuit komen, nu lukt dat zeker niet meer.
Het begint al op mijn werk. De kinderen uit groep zes hebben het al weken over de carnaval. Wat doen ze aan, wat ze gaan doen, in welk café ze de carnavalsdagen zullen zijn. Mijn collega’s doen er niet voor onder. Er gaat een memo rond: wie gaat er op vrijdag mee de stad in? Met wat persoonlijke memo’s erachteraan: kan ik met je meerijden? Dan kan ik namelijk drinken.
Ik vind een ochtend carnaval op school genoeg. Dan heb ik gehost en blij gedaan. Vraag me niet om ook nog de stad in te gaan. Ik heb het wel eens gedaan hoor, maar na de zoveelste plaat van André van Duin of de deurzakkers heb ik het wel gehoord. Daarnaast was ik op de één of andere manier altijd diegene die moest rijden, dus na een paar drankjes stond ik nuchter aan de bar, terwijl ik mijn collega’s in een hoedanigheid voorbij zag komen die ik hopelijk nooit meer zou zien.
Nu in het kindtijdperk moet ik thuis ook aan de bak. In de winkels liggen volop verkleedspullen en serpentines. Met een tas vol spullen komen we thuis. Binnen twee dagen kan ik weer terug naar de winkel, want de eerste lading serpentines is er al doorheen geblazen.  Huis een rotzooi en kind ongelukkig als ik alles weggooi. Nee carnaval is niet altijd feest bij ons.
De optocht die we gaan bekijken is een verhaal apart. Wat tijd verschilt hij niet veel van de gran marcha. Ook hier begon hij een uur te laat. Maar dan de groepen. Er was er één bij die op zich een redelijk grappig idee had, maar dan lopen de mensen zover uit elkaar, dat er geen verband meer is. Waardoor het niet meer grappig was, maar irritant. Er waren verschillende karren waaruit vooral veel house herrie kwam, met veel  jongelui die dronken stonden te lallen naar het publiek. Tel daarbij op dat het sneeuwde, hagelde met een wind die duidelijk uit het oosten kwam. Niet grappig.  
In gedachten stond ik ergens op de rodeweg. In mijn korte broek, t-shirt, drankje in mijn handen, omringd door vrienden. Uit elke wagen die voorbij kwam veelal dezelfde tumba waarop door de loopgroepen als door het publiek  werd gedanst.  Roodverbrand, moe, maar zeker voldaan gingen we aan het eind van de dag naar huis. We wisten zeker dat het volgend jaar nooit beter kon worden dan dat jaar.
Dat we wel eens midden in een schietpartij hebben gestaan toen we de pondjesbrug niet over mochten wegens instortingsgevaar vergeten we gauw. Dat we kapot aankwamen bij het Avila Beach Hotel van het meelopen aan het einde van de stoet of omdat we meededen met de optocht vergeten we ook. Dat we weg werden gestuurd door het hotelpersoneel, omdat we onze voeten in de fontein bij de ingang koelte gaven, dat we na een hele lange dag nog langer moesten wachten, omdat onze ouders met de auto niet in de buurt konden komen om ons op te halen. Het doet niets af aan de herinnering die elk jaar de kop op steekt als ik diep weggedoken in mijn winterjas naar de optocht sta te kijken. De serpentines dwarrelen om mijn hoofd. Mijn handen zijn te verkleumd om ze weg te halen. Kind, help je moeder, haal die slingers eens weg, maar kind viert carnaval. Hij houst mee met de wagens en blaast zijn serpentines de lucht in. Kleine nep-antilliaan.