zaterdag 18 februari 2012

skiën

Mijn zwager heeft een boot. Zo’n snelle die tegenwoordig in Nederland ook harder mag dan 5 km per uur.
Waterskien, nee kan ik niet, kon ik niet, en nu nog niet. Koop maar zo’n plank zei ik nog.
Ik zag me alweer gaan. Planken ( plenken zeggen wij, planken zeggen ze in Nederland). Zo achter die boot, over de waterkering heen scheren en dan vol over dat wat er heen schieten. Soms ook met zijn tweeën achter de boot aan en dan elkaar proberen om te duwen. Wat een lol, wat een sensatie.
Nee, zo’n plank was niets zei mijn zwager, ga maar skiën. Goed, ik ook niet de beroerdste. Ik heb het tot een keer of acht geprobeerd, maar na de zoveelste waterinname gooide ik de handdoek in de ring. Waterskien is niet mijn ding.
Misschien gewoon skiën dan. Vol goede moed naar Zoetermeer waar we een proefles namen in een indoor ski hal. Stoer hoor. Op die lange latten. Deze doken niet meteen naar de diepte van het water. Deze bleven boven. Niet netjes naast elkaar zoals ik het graag had gezien, maar meteen wijdbeens. Zat ik ineens weer in een spagaat. En dat is na twintig jaar weinig sporten een stuk minder aangenaam dan toen.
Goed, skiën dus. Het ging niet onaardig. Ik bleef na die eerst glijpartij redelijk op de been en durfde zelfs een heuveltje af. Remmen lukte en na nog een paar keer oefenen vond ik dat ik het best goed had gedaan. Dit proefde naar meer.
 Een paar maanden later nog een keer naar Zoetermeer gereden. Nu geen proefles meer genomen. We wisten immers hoe het moest nu, maar eenmaal boven op die nepberg durfde ik niet meer naar beneden. Ik zag mijzelf al vallen, botten breken, in de kreukels liggen. Maar wat dan? Je staat daar dan boven op zo’n berg. De lift brengt je wel naar boven, maar niet meer naar beneden. Daar is maar één manier voor, glijden op die ski’s. Met het hart achter in mijn keel ben ik gegaan. Stapvoets, af en toe stukjes op de billen ben ik beneden gekomen. Nooit meer heb ik toen geroepen en dat hou ik aardig vol tot nu toe.
Dat het skiën niet lukte was natuurlijk de schuld van de berg. Ik heb hoogtevrees, daarom lukte het niet. Langlaufen is een alternatief. En vorig jaar in Luxemburg hadden wij de mogelijkheid om dit te doen. Dus ook hier, de lange latten onder binden,  goed ingepakt ( dit keer was het buiten en niet in een overdekte, windvrije hal) en daar gingen we. Wel twee hele meters vooruit, voordat ik languit ging. Opstaan en weer doorgaan. Om na de volgende twee meter weer de sneeuw van heel dichtbij te voelen. Dit heb ik denk ik een halve kilometer volgehouden tot ik tot de briljante conclusie kwam dat skiën gewoon niet mijn ding is.
Ik wist het al toen ik nog een tiener was en het waterskiën probeerde. Dat lukte niet. Ik had beter moeten luisteren, zittend die berg af, geen probleem, zitten in de sneeuw om te spelen geen probleem, zitten op een plank over het water scheren geen probleem.
Ik denk dat ik mijn zwager maar gewoon zo’n plank cadeau doe.  Of heb ik nu een plank voor mijn kop. 

zaterdag 11 februari 2012

De nieuwe Mangusa. Daar wilden we heen. Mijn zus en moeder hadden de primeur. Ik heb nog een weekje moeten wachten. Maar wat een ruimte. Je zou elkaar nog kwijt kunnen raken. En dat is dan ook precies wat er gebeurde met mijn zus en moeder. Die hebben elkaar een kwartier lopen zoeken, nadat ze besloten om elkaar maar te bellen.
‘Mam, waar sta je?’.
‘Bij de melk en jij?’.
Ze hadden elkaar snel gevonden. Of dit nu komt omdat de supermarkt zo groot is of door de geografische kennis van mijn zus laat ik in het midden. In Nederland is ze meerdere keren de weg kwijt geraakt.
Na een avondje stappen in Amsterdam de auto terug vinden was ook een uitdaging. Op Curaçao is het niet moeilijk. Je parkeert je auto bij dat ene café in de buurt en daar vind je hem altijd weer terug. Tenzij iemand besloten heeft om hem voor onbepaalde tijd te lenen. Maar in principe ben je je auto niet kwijt. Zo wel in Amsterdam.
Amsterdam heeft een heleboel grachten en die zijn lang. Erg lang. De auto aan één van de grachten parkeren is geen probleem. Die naam onthoud je wel. Prinsengracht, keizersgracht. Hoe moeilijk kan het zijn. En daar zit hem de crux. Waar op de gracht heb je je auto geparkeerd? De gracht heeft nummer 1 tot en met 999. Het duurt een flink uur voordat je helemaal de gracht afgelopen hebt. Minstens anderhalf uur als je een paar borrels op hebt. En dan nog een half uur erbij als het erg slecht weer is. Regen, hagel en kou.
Als met al heeft het twee uur geduurd voordat de auto gevonden was. Verkleumd van de kou en sjacherijnig, omdat de kater al was ingetreden, was dit een minder prettige manier om kennis te maken met parkeren in Nederland.
Ach, ze weet inmiddels gelukkig dat Suriname niet in Afrika ligt en dat Breda en Oss wel beiden in Brabant liggen, maar niet bij elkaar in de buurt.

Toen ik in Mangusa was heb ik niemand horen omroepen voor kinderen die kwijt waren, geen huilende kinderen gehoord die hun ouders kwijt waren, oh ja, toch één, maar dat was de mijne die zijn zin niet kreeg.
Het ligt dus echt aan mijn zus en niet aan de supermarkt.
Mijn zus zou het voor het elkaar krijgen om nog verdwaald te raken in de ballenbak van ikea. Ze had toch net echt drie rode ballen opzij geschoven, en nu schoten er weer een stel blauwe voorbij. 

maandag 6 februari 2012

de brug

Aan de andere kant van de brug

Het is maar waar je bent opgegroeid denk ik. Ik op Banda riba en daar voel ik mij het meeste thuis.
Deze kerstvakantie zaten wij in het huis van familie op Jan Doret en gevoelsmatig zaten we ver weg.
Te ver van Saliña, te ver van mijn ouders ( Brakkeput), te ver van Centrum op Mahaai, te ver van… en zo kan ik nog even doorgaan.
Maar hoe ver is te ver? Als we over de brug reden, waren we in een kwartier op Saliña. Dat lukt de meesten niet meer vanaf Brakkeput, als ze over de Caracasbaaiweg rijden.
Daar staat file. Ongeacht hoe laat op de dag. Er staat file. In de spitstijden is het aansluiten en meerijden met de grote stroom auto’s die van en naar het werk gaat. Buiten de spitstijden om heb je te maken met filevorming als er een begrafenis is op Bottelier, als de quads hun trips beginnen of eindigen, als er een aanrijding is geweest en de auto’s wachten op de trucks van 911 om de schade op te nemen.
Maar de weg over de brug is op een gegeven moment zo saai. Op de brug is het prachtig, maar ernaartoe gebeurt niet veel. Nee, dan liever via de Churchillweg en de Schottegatweg.  Het bruisende leven in. Mensen om je heen, getoeter alom, een hond die nog snel over wil steken, meerdere mevrouwen die lootjes verkopen,  een krant in de ochtend, cala of pinda in de middag.
Nog even snel naar een winkel die je tegenkomt en waarvan je vergeten was dat je er nog heen moest.
En ver is zo relatief. Op Santa Catharina wonen is ook ver en gevoelsmatig is dat minder ver dan Jan Doret. In kilometers waarschijnlijk verder. Verder van wat? Ik blijf Saliña maar als referentiekader nemen.
Het voordeel zat er wel in toen we naar Port Marie gingen. Nadat iedereen al lang en breed vertrokken was van huis gingen wij weg. Kwamen we daar alsnog als laatsten aan overigens, maar dat had niets met de kilometers te maken, als wel met de snack die we onderweg aan moesten doen voor een pastechi en het tempo waarin we reden. Ribu rust, tijd genoeg.

zondag 29 januari 2012

Dushi, mag ik de remote?
Ja hoor, schat, hier is de afstandsbediening.
En heb je misschien mijn lighter gezien?
De aansteker? Ja, die ligt buiten op tafel.

Dushi, de fuse is gebuleerd, hoorde ik laatst van een vriendin. Haar man keek heel even verward op, maar begreep al gauw waar het over ging. Of het nu de taal was die hij beter begreep of het licht dat uitgevallen was, hij liep naar de stoppenkast en verving een zekering.
Ik schijn een ander accent te hebben zodra ik voet op Curaçaose bodem zet. Ik praat met Nederlands met een accent zegt mijn man. Ik was mij daar niet van bewust  tot hij het zei en ik er op ging letten.
Vreemd genoeg schakelde ik in Nederland , bij terugkomst ook meteen weer over op een mengeling van Brabants en ABN Nederlands. Ik heb nog geprobeerd om het niet te doen en mijn Curaçaose accent ook hier te behouden, maar op de één of andere manier krijg ik dat niet voor elkaar. Het wil maar niet lukken. En als ik het dan toch forceer, klinkt het nergens naar. Ik lach mijzelf uit.

Ben ik onder vrienden die van de Antillen komen, dan schakelen we allemaal over op ons mengelmoesje van taal, zonder dat we er erg in hebben.  In dezelfde zinnen zit Nederlands, Papiaments, Engels en soms ook Spaans. Wij verstaan elkaar prima en onze aanhang verstaat ons inmiddels ook , maar onbekenden kijken ons vreemd aan.
Als student werd ons wel eens verweten om gewoon te doen, en niet zo interessant. Hoezo interessant? Je moest eens weten waar we het over hebben, dat is pas interessant. Maar dan waren we weer brutaal. En voor je het weet, was je die Antilliaanse, met die grote mond, dus hield je maar stil.
Ai, weet je, laat me je zeggen wat ik er van vind. Ik goseer iedereen die zijn eigen culture bij zich houdt en die the best van beiden wil salberen. Ik wens je een bon dia en een bon siman aan het begin van de week en noem je dushi als ik je aardig vind. Het maakt mij special. Met een zachte g.


zondag 22 januari 2012

waslijn

Waslijn
De was ophangen is de gewoonste zaak van de wereld. Op één lijn, soms meerdere lijnen achter elkaar. De zon en de wind doen het werk en na een paar uur kan het er droog weer vanaf.
Als student, met kamer, zonder tuin, moest de was binnen drogen. Op een wasrekje midden in de woonkamer waar het drie dagen stond voordat het een beetje droog werd. Of aan de deur hangend. Los van het feit dat het dagen lang duurde voordat het een beetje droog werd, rook de kamer muf naar nat wasgoed.
Hoe blij was ik met mijn tuin. Ik kon de was buiten hangen. Niet aan een lijn, of aan meerdere lijnen achter elkaar, maar aan een droogmolen. Deze staat goed verankerd in de grond zodat er veel was aan kan hangen.
Tegen de buurvrouw vertel ik vol trots dat mijn was weer zo lekker schoon en fris ruikt nu het buiten kan drogen. Maar dat ik toch mijn Curaçaose waslijn mis. Die lijn waar het zo goed naast elkaar kan hangen, waar de was de ruimte heeft om door de wind droog geblazen te worden. Niet aan de droogmolen waar het nog op een kluitje hangt.
De buurvrouw begint te lachen en zegt: ‘Oh , je bedoelt een Brabantse waslijn’.
Nieuwsgierig loop ik met haar mee naar achteren en ja hoor, daar staat een heuse Curaçaose waslijn. Hoe komt zij er nou aan? Deze lijkt er al tientallen jaren te staan en het dichts dat zij bij Curaçao is geweest, is Mexico. Waar ze geen was heeft hoeven draaien in het all-inclusive-resort.
Ze ziet de verbazing op mijn gezicht en zegt: ‘Zo hebben we hier allemaal een waslijn van oudsher. Tegenwoordig met die droogtrommels en droogmolens niet meer, maar wij nog wel hoor’.
Ik vraag mij af wie deze lange waslijnen nu het eerst hadden. Zou het een Brabants iets zijn? Zullen de nonnen en de fraters ze hebben meegenomen vanuit Nederland? Het idee dan althans? Of zijn het de Curaçaoenaars geweest die dit idee mee naar Nederland hebben genomen toen ze zich ook hier gingen vestigen?
Feit blijft dat ik hier in Nederland niet zo’n waslijn heb. Mijn droogmolen kan ik ook al niet gebruiken op het moment. Het vriest en het waait niet. De was zou stijf van de vrieskou aan de molen hangen en in stukken breken als ik het eraf wil halen.
Noodgedwongen staat er dus weer een wasrek in de kamer. Meerdere dagen zelfs, om alle wassen te kunnen drogen. Ons huis ruikt weer muf naar nat wasgoed. Ja hoor, we zijn weer in winters Nederland.   

zaterdag 14 januari 2012

toeristenpraat

Toeristenpraat

Als blanke Bonairiaanse, die alweer veel te lang in Nederland woont kan ik me goed voordoen als een standaard toerist. Zo ook op Otrobanda in een toeristenwinkeltje. Ik liep daar wat rond te kijken en hoorde de volgende conversatie.
‘Nee, hier krijg je moeilijk contact met de locale bevolking’, zegt de verkoopster.
Ik spits mijn oren en luister verder.
‘Dat is jammer’, zegt de toerist.
‘Ja, weet je’, gaat de verkoopster verder,’ je hebt nu eenmaal sneller contact met de Nederlanders die hier zitten. Die nodigen je uit om langs te komen. Maar de locale bevolking niet. Daar kom je niet binnen, maar ik weet wel hoe het komt’, gaat ze verder.
Mijn oren gaan nog verder open staan, ik ben benieuwd.
‘De locals ( de toon veranderd,  nu begint het bij mij te jeuken, het klinkt niet goed meer) zien de Nederlanders nog steeds als de mensen met het geld. Ze kijken als het ware nog wat tegen ze op, en voelen zich niet op hun gemak bij hen, dus houden ze afstand. Het kan dus jaren duren voordat je een keer wordt uitgenodigd’.
‘Ja’, zegt de toerist,  ‘ik snap het’.
IK SNAP HET, IK SNAP HET. Ik snap er helemaal niets van. Ik voel mij zo niet op mijn gemak. Ik ben het er absoluut niet mee eens, maar voel mij zo blank op dat moment. Ik ben met stomheid geslagen en weet niet eens hoe ik moet reageren op zoveel domheid. Ongelooflijk. Leer de taal mevrouw, denk ik bij mijzelf, leer de mensen kennen en zie hoe snel je uitgenodigd wordt om op een feest te  komen. En wat een kletskoek dat de Antilliaan nog tegen de Nederlander aankijkt alsof hij een weldoener is uit twee eeuwen geleden.
Zo hou je het cultuurverschil wel in stand. Ik heb niets meer gekocht in de winkel, maar ga er nog wel  een keer heen om deze verkoopster heel duidelijk te maken dat zij niet op de juiste plek aan het werk is. Ze is geen visite kaartje voor het eiland. Ik hoop van harte dat ze heel snel wordt uitgenodigd door iemand die zich geroepen voelt om deze mevrouw de warmte en gastvrijheid van dit land en deze bevolking te laten ervaren , zodat de toeristen die daarna nog naar de winkel komen ook terug willen komen naar het eiland.



van vorige week

Ai ai ai , wat gaat de tijd toch snel. Maanden hebben we er naartoe geleefd. Om hierheen te komen. Maanden van voorbereiding. Wat nemen we mee, past dat allemaal in de koffers, hebben we de cadeautjes bij ons, kerstkleding. Ook de grote kinderen gaan dit keer mee. Nette kleren meenemen, werd ons vreemd gevraagd? Hoezo? Een korte broek kan toch met kerst? Ja, thuis wel, maar niet als we naar de kerk gaan, dan trek je iets nets aan. Trouwens het kan maar zo gebeuren dat je onverwachts wordt uitgenodigd voor een bruiloft hier, of in een erger geval dat je naar een begrafenis moet en dan kan je niet in je korte broek en t-shirt aankomen. Dus ja, één set nette kleren moet je meenemen. Ik vind overigens dat je die altijd bij je moet hebben. Waar je ook naartoe gaat, maar dat terzijde. Bij de nachtmis in de kerk zag ik dat de pakken met jas in de minderheid waren. Gelukkig zag ik nog wel een hoop blouses met lange mouw, maar tot mijn spijt zag ik ook een hoop spijkerbroeken. Dat vond ik jammer.
Ik weet nog dat toen wij hier nog woonden we naar de nachtmis gingen in onze mooiste, let wel nieuwste avondjurk, want na de mis, moesten we mee naar huis om te eten en daarna naar het kerstfeest waar iedereen elkaar in gala een bon Pasku wenste. Heel bijzonder vond ik dat. Je zat dan al in gala in de kerk en dat gaf een heel speciaal gevoel. De spijkerbroek van nu deed daar een beetje afbreuk aan. Wij zaten in het net, in onze mooie jurk, gingen daarna ook samen eten, hebben alleen dat kerstfeest tot in de vroege uurtjes niet meer gehaald.
Bij de voorbereiding hoorde ook het plannen van leuke dingen doen en mensen ontmoeten. Het was inmiddels bekend wie van de vrienden uit Nederland ook op het eiland zouden zijn en wie van de vrienden er nog woonden. Vanuit Nederland maakten we al plannen, een dagje Banda Bou was snel gepland. Meer plannen maken deden we niet. We zouden wel zien. Ja, we zouden pagara’s gaan zien, en dan zouden we daar wel bekenden tegenkomen en verder afspreken. Net als vroeger.  En zo ging het ook. En toch zijn er nog een hoop mensen die we nog niet gezien hebben en van de drie weken dat we er zijn, zijn er al twee om. En behalve mensen zien, willen we nog een keer naar de markt om te eten, zijn we nog niet naar Knip geweest, wil ik nog door Otrobanda lopen met mijn vader en de verhalen van vroeger horen, en …. en….. en….. en.
Tijd te kort dus. Zoals altijd. Ik neem mij altijd voor om het anders te doen. Dat ik vanuit Nederland al meer dingen plan en regel. Ja, dat is een prima gedachte als je in Nederland woont, daar werkt dat zo. Hier niet en op de één of andere manier neem ik de manier van hier meteen over. We zien wel, het komt wel goed, we komen elkaar wel tegen.
En dan staan we straks ineens weer op Hato en moeten we weer terug. Veel dingen hebben we niet gedaan, maar nog veel meer dingen hebben we wel gedaan. Wat een feest van thuiskomen is het elke keer weer dat ik er ben. Zoals mijn man zei deze vakantie: Monique is twee jaar op vakantie in Nederland en gaat dan drie weken naar huis.
Concluderend kan ik dus zeggen: Yes, ik mag volgende week weer op vakantie. Waarom voelt het dan niet zo fijn?