zaterdag 11 februari 2012

De nieuwe Mangusa. Daar wilden we heen. Mijn zus en moeder hadden de primeur. Ik heb nog een weekje moeten wachten. Maar wat een ruimte. Je zou elkaar nog kwijt kunnen raken. En dat is dan ook precies wat er gebeurde met mijn zus en moeder. Die hebben elkaar een kwartier lopen zoeken, nadat ze besloten om elkaar maar te bellen.
‘Mam, waar sta je?’.
‘Bij de melk en jij?’.
Ze hadden elkaar snel gevonden. Of dit nu komt omdat de supermarkt zo groot is of door de geografische kennis van mijn zus laat ik in het midden. In Nederland is ze meerdere keren de weg kwijt geraakt.
Na een avondje stappen in Amsterdam de auto terug vinden was ook een uitdaging. Op Curaçao is het niet moeilijk. Je parkeert je auto bij dat ene café in de buurt en daar vind je hem altijd weer terug. Tenzij iemand besloten heeft om hem voor onbepaalde tijd te lenen. Maar in principe ben je je auto niet kwijt. Zo wel in Amsterdam.
Amsterdam heeft een heleboel grachten en die zijn lang. Erg lang. De auto aan één van de grachten parkeren is geen probleem. Die naam onthoud je wel. Prinsengracht, keizersgracht. Hoe moeilijk kan het zijn. En daar zit hem de crux. Waar op de gracht heb je je auto geparkeerd? De gracht heeft nummer 1 tot en met 999. Het duurt een flink uur voordat je helemaal de gracht afgelopen hebt. Minstens anderhalf uur als je een paar borrels op hebt. En dan nog een half uur erbij als het erg slecht weer is. Regen, hagel en kou.
Als met al heeft het twee uur geduurd voordat de auto gevonden was. Verkleumd van de kou en sjacherijnig, omdat de kater al was ingetreden, was dit een minder prettige manier om kennis te maken met parkeren in Nederland.
Ach, ze weet inmiddels gelukkig dat Suriname niet in Afrika ligt en dat Breda en Oss wel beiden in Brabant liggen, maar niet bij elkaar in de buurt.

Toen ik in Mangusa was heb ik niemand horen omroepen voor kinderen die kwijt waren, geen huilende kinderen gehoord die hun ouders kwijt waren, oh ja, toch één, maar dat was de mijne die zijn zin niet kreeg.
Het ligt dus echt aan mijn zus en niet aan de supermarkt.
Mijn zus zou het voor het elkaar krijgen om nog verdwaald te raken in de ballenbak van ikea. Ze had toch net echt drie rode ballen opzij geschoven, en nu schoten er weer een stel blauwe voorbij. 

maandag 6 februari 2012

de brug

Aan de andere kant van de brug

Het is maar waar je bent opgegroeid denk ik. Ik op Banda riba en daar voel ik mij het meeste thuis.
Deze kerstvakantie zaten wij in het huis van familie op Jan Doret en gevoelsmatig zaten we ver weg.
Te ver van Saliña, te ver van mijn ouders ( Brakkeput), te ver van Centrum op Mahaai, te ver van… en zo kan ik nog even doorgaan.
Maar hoe ver is te ver? Als we over de brug reden, waren we in een kwartier op Saliña. Dat lukt de meesten niet meer vanaf Brakkeput, als ze over de Caracasbaaiweg rijden.
Daar staat file. Ongeacht hoe laat op de dag. Er staat file. In de spitstijden is het aansluiten en meerijden met de grote stroom auto’s die van en naar het werk gaat. Buiten de spitstijden om heb je te maken met filevorming als er een begrafenis is op Bottelier, als de quads hun trips beginnen of eindigen, als er een aanrijding is geweest en de auto’s wachten op de trucks van 911 om de schade op te nemen.
Maar de weg over de brug is op een gegeven moment zo saai. Op de brug is het prachtig, maar ernaartoe gebeurt niet veel. Nee, dan liever via de Churchillweg en de Schottegatweg.  Het bruisende leven in. Mensen om je heen, getoeter alom, een hond die nog snel over wil steken, meerdere mevrouwen die lootjes verkopen,  een krant in de ochtend, cala of pinda in de middag.
Nog even snel naar een winkel die je tegenkomt en waarvan je vergeten was dat je er nog heen moest.
En ver is zo relatief. Op Santa Catharina wonen is ook ver en gevoelsmatig is dat minder ver dan Jan Doret. In kilometers waarschijnlijk verder. Verder van wat? Ik blijf Saliña maar als referentiekader nemen.
Het voordeel zat er wel in toen we naar Port Marie gingen. Nadat iedereen al lang en breed vertrokken was van huis gingen wij weg. Kwamen we daar alsnog als laatsten aan overigens, maar dat had niets met de kilometers te maken, als wel met de snack die we onderweg aan moesten doen voor een pastechi en het tempo waarin we reden. Ribu rust, tijd genoeg.

zondag 29 januari 2012

Dushi, mag ik de remote?
Ja hoor, schat, hier is de afstandsbediening.
En heb je misschien mijn lighter gezien?
De aansteker? Ja, die ligt buiten op tafel.

Dushi, de fuse is gebuleerd, hoorde ik laatst van een vriendin. Haar man keek heel even verward op, maar begreep al gauw waar het over ging. Of het nu de taal was die hij beter begreep of het licht dat uitgevallen was, hij liep naar de stoppenkast en verving een zekering.
Ik schijn een ander accent te hebben zodra ik voet op Curaçaose bodem zet. Ik praat met Nederlands met een accent zegt mijn man. Ik was mij daar niet van bewust  tot hij het zei en ik er op ging letten.
Vreemd genoeg schakelde ik in Nederland , bij terugkomst ook meteen weer over op een mengeling van Brabants en ABN Nederlands. Ik heb nog geprobeerd om het niet te doen en mijn Curaçaose accent ook hier te behouden, maar op de één of andere manier krijg ik dat niet voor elkaar. Het wil maar niet lukken. En als ik het dan toch forceer, klinkt het nergens naar. Ik lach mijzelf uit.

Ben ik onder vrienden die van de Antillen komen, dan schakelen we allemaal over op ons mengelmoesje van taal, zonder dat we er erg in hebben.  In dezelfde zinnen zit Nederlands, Papiaments, Engels en soms ook Spaans. Wij verstaan elkaar prima en onze aanhang verstaat ons inmiddels ook , maar onbekenden kijken ons vreemd aan.
Als student werd ons wel eens verweten om gewoon te doen, en niet zo interessant. Hoezo interessant? Je moest eens weten waar we het over hebben, dat is pas interessant. Maar dan waren we weer brutaal. En voor je het weet, was je die Antilliaanse, met die grote mond, dus hield je maar stil.
Ai, weet je, laat me je zeggen wat ik er van vind. Ik goseer iedereen die zijn eigen culture bij zich houdt en die the best van beiden wil salberen. Ik wens je een bon dia en een bon siman aan het begin van de week en noem je dushi als ik je aardig vind. Het maakt mij special. Met een zachte g.


zondag 22 januari 2012

waslijn

Waslijn
De was ophangen is de gewoonste zaak van de wereld. Op één lijn, soms meerdere lijnen achter elkaar. De zon en de wind doen het werk en na een paar uur kan het er droog weer vanaf.
Als student, met kamer, zonder tuin, moest de was binnen drogen. Op een wasrekje midden in de woonkamer waar het drie dagen stond voordat het een beetje droog werd. Of aan de deur hangend. Los van het feit dat het dagen lang duurde voordat het een beetje droog werd, rook de kamer muf naar nat wasgoed.
Hoe blij was ik met mijn tuin. Ik kon de was buiten hangen. Niet aan een lijn, of aan meerdere lijnen achter elkaar, maar aan een droogmolen. Deze staat goed verankerd in de grond zodat er veel was aan kan hangen.
Tegen de buurvrouw vertel ik vol trots dat mijn was weer zo lekker schoon en fris ruikt nu het buiten kan drogen. Maar dat ik toch mijn Curaçaose waslijn mis. Die lijn waar het zo goed naast elkaar kan hangen, waar de was de ruimte heeft om door de wind droog geblazen te worden. Niet aan de droogmolen waar het nog op een kluitje hangt.
De buurvrouw begint te lachen en zegt: ‘Oh , je bedoelt een Brabantse waslijn’.
Nieuwsgierig loop ik met haar mee naar achteren en ja hoor, daar staat een heuse Curaçaose waslijn. Hoe komt zij er nou aan? Deze lijkt er al tientallen jaren te staan en het dichts dat zij bij Curaçao is geweest, is Mexico. Waar ze geen was heeft hoeven draaien in het all-inclusive-resort.
Ze ziet de verbazing op mijn gezicht en zegt: ‘Zo hebben we hier allemaal een waslijn van oudsher. Tegenwoordig met die droogtrommels en droogmolens niet meer, maar wij nog wel hoor’.
Ik vraag mij af wie deze lange waslijnen nu het eerst hadden. Zou het een Brabants iets zijn? Zullen de nonnen en de fraters ze hebben meegenomen vanuit Nederland? Het idee dan althans? Of zijn het de Curaçaoenaars geweest die dit idee mee naar Nederland hebben genomen toen ze zich ook hier gingen vestigen?
Feit blijft dat ik hier in Nederland niet zo’n waslijn heb. Mijn droogmolen kan ik ook al niet gebruiken op het moment. Het vriest en het waait niet. De was zou stijf van de vrieskou aan de molen hangen en in stukken breken als ik het eraf wil halen.
Noodgedwongen staat er dus weer een wasrek in de kamer. Meerdere dagen zelfs, om alle wassen te kunnen drogen. Ons huis ruikt weer muf naar nat wasgoed. Ja hoor, we zijn weer in winters Nederland.   

zaterdag 14 januari 2012

toeristenpraat

Toeristenpraat

Als blanke Bonairiaanse, die alweer veel te lang in Nederland woont kan ik me goed voordoen als een standaard toerist. Zo ook op Otrobanda in een toeristenwinkeltje. Ik liep daar wat rond te kijken en hoorde de volgende conversatie.
‘Nee, hier krijg je moeilijk contact met de locale bevolking’, zegt de verkoopster.
Ik spits mijn oren en luister verder.
‘Dat is jammer’, zegt de toerist.
‘Ja, weet je’, gaat de verkoopster verder,’ je hebt nu eenmaal sneller contact met de Nederlanders die hier zitten. Die nodigen je uit om langs te komen. Maar de locale bevolking niet. Daar kom je niet binnen, maar ik weet wel hoe het komt’, gaat ze verder.
Mijn oren gaan nog verder open staan, ik ben benieuwd.
‘De locals ( de toon veranderd,  nu begint het bij mij te jeuken, het klinkt niet goed meer) zien de Nederlanders nog steeds als de mensen met het geld. Ze kijken als het ware nog wat tegen ze op, en voelen zich niet op hun gemak bij hen, dus houden ze afstand. Het kan dus jaren duren voordat je een keer wordt uitgenodigd’.
‘Ja’, zegt de toerist,  ‘ik snap het’.
IK SNAP HET, IK SNAP HET. Ik snap er helemaal niets van. Ik voel mij zo niet op mijn gemak. Ik ben het er absoluut niet mee eens, maar voel mij zo blank op dat moment. Ik ben met stomheid geslagen en weet niet eens hoe ik moet reageren op zoveel domheid. Ongelooflijk. Leer de taal mevrouw, denk ik bij mijzelf, leer de mensen kennen en zie hoe snel je uitgenodigd wordt om op een feest te  komen. En wat een kletskoek dat de Antilliaan nog tegen de Nederlander aankijkt alsof hij een weldoener is uit twee eeuwen geleden.
Zo hou je het cultuurverschil wel in stand. Ik heb niets meer gekocht in de winkel, maar ga er nog wel  een keer heen om deze verkoopster heel duidelijk te maken dat zij niet op de juiste plek aan het werk is. Ze is geen visite kaartje voor het eiland. Ik hoop van harte dat ze heel snel wordt uitgenodigd door iemand die zich geroepen voelt om deze mevrouw de warmte en gastvrijheid van dit land en deze bevolking te laten ervaren , zodat de toeristen die daarna nog naar de winkel komen ook terug willen komen naar het eiland.



van vorige week

Ai ai ai , wat gaat de tijd toch snel. Maanden hebben we er naartoe geleefd. Om hierheen te komen. Maanden van voorbereiding. Wat nemen we mee, past dat allemaal in de koffers, hebben we de cadeautjes bij ons, kerstkleding. Ook de grote kinderen gaan dit keer mee. Nette kleren meenemen, werd ons vreemd gevraagd? Hoezo? Een korte broek kan toch met kerst? Ja, thuis wel, maar niet als we naar de kerk gaan, dan trek je iets nets aan. Trouwens het kan maar zo gebeuren dat je onverwachts wordt uitgenodigd voor een bruiloft hier, of in een erger geval dat je naar een begrafenis moet en dan kan je niet in je korte broek en t-shirt aankomen. Dus ja, één set nette kleren moet je meenemen. Ik vind overigens dat je die altijd bij je moet hebben. Waar je ook naartoe gaat, maar dat terzijde. Bij de nachtmis in de kerk zag ik dat de pakken met jas in de minderheid waren. Gelukkig zag ik nog wel een hoop blouses met lange mouw, maar tot mijn spijt zag ik ook een hoop spijkerbroeken. Dat vond ik jammer.
Ik weet nog dat toen wij hier nog woonden we naar de nachtmis gingen in onze mooiste, let wel nieuwste avondjurk, want na de mis, moesten we mee naar huis om te eten en daarna naar het kerstfeest waar iedereen elkaar in gala een bon Pasku wenste. Heel bijzonder vond ik dat. Je zat dan al in gala in de kerk en dat gaf een heel speciaal gevoel. De spijkerbroek van nu deed daar een beetje afbreuk aan. Wij zaten in het net, in onze mooie jurk, gingen daarna ook samen eten, hebben alleen dat kerstfeest tot in de vroege uurtjes niet meer gehaald.
Bij de voorbereiding hoorde ook het plannen van leuke dingen doen en mensen ontmoeten. Het was inmiddels bekend wie van de vrienden uit Nederland ook op het eiland zouden zijn en wie van de vrienden er nog woonden. Vanuit Nederland maakten we al plannen, een dagje Banda Bou was snel gepland. Meer plannen maken deden we niet. We zouden wel zien. Ja, we zouden pagara’s gaan zien, en dan zouden we daar wel bekenden tegenkomen en verder afspreken. Net als vroeger.  En zo ging het ook. En toch zijn er nog een hoop mensen die we nog niet gezien hebben en van de drie weken dat we er zijn, zijn er al twee om. En behalve mensen zien, willen we nog een keer naar de markt om te eten, zijn we nog niet naar Knip geweest, wil ik nog door Otrobanda lopen met mijn vader en de verhalen van vroeger horen, en …. en….. en….. en.
Tijd te kort dus. Zoals altijd. Ik neem mij altijd voor om het anders te doen. Dat ik vanuit Nederland al meer dingen plan en regel. Ja, dat is een prima gedachte als je in Nederland woont, daar werkt dat zo. Hier niet en op de één of andere manier neem ik de manier van hier meteen over. We zien wel, het komt wel goed, we komen elkaar wel tegen.
En dan staan we straks ineens weer op Hato en moeten we weer terug. Veel dingen hebben we niet gedaan, maar nog veel meer dingen hebben we wel gedaan. Wat een feest van thuiskomen is het elke keer weer dat ik er ben. Zoals mijn man zei deze vakantie: Monique is twee jaar op vakantie in Nederland en gaat dan drie weken naar huis.
Concluderend kan ik dus zeggen: Yes, ik mag volgende week weer op vakantie. Waarom voelt het dan niet zo fijn? 

vrijdag 23 december 2011

Voor de kerstkrant

Lichtjes
Ik strijk de lucifer over het doosje en voel de hitte door de kop van de lucifer heen stralen. Het vlammetje reikt de lont van de kaars die langzaam oplicht. Het eerste lichtje is aan. Nog vele zullen volgen. De lampen blijven uit, de kaarsen gaan aan. Niets zo fijn als het kerstgevoel in huis brengen.
Wat een luxe. Ik kan kiezen om dit te doen.
Voor mij staan lichtjes symbool voor kerstmis. Zonder licht, geen kerst. Geen kerst zonder licht. Hoe schrijnend is het om dan te weten dat er zoveel gezinnen zijn op Curaçao die geen elektriciteit kunnen betalen.  Dus geen licht hebben. Wel kaarslicht, of een olielampje. Maar niet de bevoorrechte positie om te kunnen kiezen voor kaarslicht.  Deze mensen willen ook graag een kerstboom met een snoer lichtjes. Net als de rest.
En die krijgen ze dan. Die kerstboom. Een weldoener schenkt een flink aantal kerstbomen met lichtjes. De mensen zijn blij. Zijn ze blij? Blij met een dode mus. Wel een boom, wel lichtjes, maar geen elektriciteit om de lichtjes te kunnen ontsteken.
Gelukkig is iemand  ooit zo alert geweest om dit op te merken. De blije ontvanger zal dit niet snel ter sprake brengen. Naast bescheidenheid  en trots is de schaamte te groot om dit kenbaar te maken. Toch is het ter ore gekomen. En naast de geschonken kerstboom met lichtjes, werd ook de elektriciteit geschonken. Voor wel twee hele weken.
Genoeg om het kerstgevoel te kunnen hebben. Genoeg om ook lichtjes aan te kunnen steken. Genoeg om te wennen aan deze luxe. Genoeg om te weten dat de rest van het jaar weer in duisternis gehuld zal zijn. Genoeg om te weten dat er een onafgesproken schuld te vereffenen is ooit, in de toekomst. Bij verkiezingen of keuzes die gemaakt moeten worden. Want niets is voor niets. Ook schenkingen niet die doorgaan voor het blije kerstgevoel.
De eerste jaren dat ik in Nederland woonde werd hier met kerst niet veel gedaan. Ja, je zag in elk huis een kerstboom staan, maar daar hield het wel mee op. Er hing een snoer lichtjes in, maar dan ook alleen in die boom. Om wat van de kerstsfeer te proeven moest je in de avond langs de huizen lopen en waar de gordijnen niet voor de ramen hingen naar binnen gluren om iets van het gevoel te voelen. Alleen op donderdagavond was het anders. Koopavond. De winkel etalages mooi verlicht en versierd. De hele stad was in kerstsfeer. Als student hadden we weinig geld om uit te geven, dus het was veel sfeer opdoen, veel etalages kijken of bij de Bijenkorf ons vergapen aan een kerstboom van wel drie verdiepingen hoog. En dan die lichtjes in die boom. Ontelbaar zoveel.
Zo anders was ik het gewend. Op Curaçao waren de meeste huizen versierd met veel lichtjes. Aan de hekken, op de huizen, in de bomen. Overal waar je keek was er licht. Al dan niet betaald door bedrijven in het kader van een goede doelen actie, maar licht was er. Ook waren er toentertijd hele wijken versierd met lichtjes. Aan de gevels van de huizen waren hele schouwspelen opgebouwd. Je parkeerde de auto aan de rand van de wijk en liep er doorheen.
Foto’s moesten het bewijs vormen voor mijn Nederlandse vrienden. Dit kenden zij niet. Inmiddels hebben ze hier goed de schade ingehaald. En ik zou nu kunnen zeggen dat de Antillianen die naar Nederland zijn gekomen voor een ommekeer hebben gezorgd, maar dat geloof ik niet. Zeker niet bij ons in het dorp. De mensen die hier los gaan zijn absoluut van Nederlandse herkomst en hebben niets met de Antillen van doen. Het kan zo zijn dat ze wel eens bij mijn zus in de buurt op visite zijn geweest en zo zijn aangestoken door dit lichtvirus.
De hele straat is verlicht als mijn zus en zwager hun huis in kerstsfeer brengen. Je hoort de buren niet klagen hoor. Tuurlijk, de kinderen vallen moeilijker in slaap vanwege al dat licht, maar hun stroomrekening zijn altijd lager in december. Ze hoeven geen lamp aan te doen als mijn zus de hare maar aan doet.
Veel lichtjes dus nu hier. Gezellig, sfeervol, maar het brengt ook het gevoel van heimwee met zich mee. Was ik maar op het eiland denk ik dan. En dit jaar hebben we het geluk dat we dat ook gaan meemaken. De lichtjes in Nederland zullen het zonder ons moeten doen. Zo ook de buren van mijn zus, wat zal dat ze tegenvallen.
Wij gaan genieten van de lichtjes op Curaçao. En dan niet alleen van de lichtjes in de kerstbomen, maar van alle lichtjes. Al die lichtjes in de lucht met aña nobo. Een waar schouwspel, zonder mist of dik wolkendek zodat alles goed zichtbaar is.
De lichtjes in de ogen van vrienden wanneer we elkaar weer in de armen sluiten. Wanneer we samen op paranda gaan en genieten van elkaar gezelschap voor de korte duur van ons verblijf.
De lichtjes aan de hemel. De sterren die glinsterend fonkelen. Die onze dierbaren die er niet meer zijn vertegenwoordigen.
Als laatste, maar zeker niet de minste zijn toch wel de lichtjes  die je kan aanschouwen als je over de hoge brug ( de koningin Julianabrug ) rijdt. Wat een lichtjes.  En al is de ISLA op het moment omstreden en veel in het nieuws. Niet altijd op een positieve manier,  voor één ding wil ik wel pleiten. Die lichtjes, zo mooi. Overal waar je kijkt is wel een lichtpuntje te zien, klein, groot, ver weg, dichtbij.
De warmte van het licht brengt mensen nader tot elkaar. Of dit nu met bijbedoelingen is of oprecht omdat je om de ander geeft. Feit blijft voor mij dat licht mensen verbindt.
Bon Pasku.