zaterdag 15 oktober 2011

kakkerlakken

Ik heb meerdere herinneringen aan kakkerlakken. En geen één ervan is een fijne. Eén ervaring was toen we net op Curaçao woonden. Wij hadden, net als velen een lieve mevrouw die bij ons schoonmaakte. Filma heette ze. Een lieve mevrouw met maar een paar tanden in haar mond en slippers. Godzijdank had ze slippers. Ik kom na schooltijd mijn slaapkamer in lopen en sta oog in oog met een paar kakkerlakken.  Eén zou ik misschien nog kunnen handelen, maar een paar was te veel gevraagd.

Met een hoop gegil en achteruit gespring komt Filma mij te hulp met in haar rechterhand haar slipper. Na wat heen en weer geklap van die slipper veegt ze niet veel later vier kakkerlakken mijn kamer uit. Ik heb nog net niet uit dank haar blote tenen gekust, maar wat was ik blij dat zij er was.

In diezelfde periode zat ik bij een oom en tante buiten op de porch. Gezellig te kletsen, drinken in mijn hand. En werkelijk, uit het niets, kwam daar een kakkerlak aangevlogen. Hij probeerde nog over mij heen te scheren, maar dit mislukte jammerlijk. Hij vloog tegen mijn mond aan, die ik gelukkig gesloten had. Ik heb die avond mijn mond letterlijk met zeep gewassen, en nee, dat is niet vies, niet viezer dan een kakkerlak die mij een kusje kwam geven.

Naar Nederland verhuizen had dus ook een voordeel. Geen kakkerlakken meer. Op de studentenflat zeker niet. Zes hoog, daar komen geen kakkerlakken. Had ik gedacht.

Op een gegeven moment kregen we een brief van de GGD ( gemeentelijke gezondheidsdienst). Er waren kakkerlakken geconstateerd in de flat en de gemeente had een schoonmaakbedrijf ingeschakeld, gespecialiseerd in ongedierte, die dit probleem zou oplossen. Niets verplicht, maar het werd wel aangeraden. Kosteloos.  Het had wel wat gevolgen. Huisdieren moesten zeker een week uit de flat wegblijven , en wij twee dagen. Dit vanwege gif dat ze zouden rondstrooien in de hoeken, kieren en gaten van de flat.

Wij hadden nog geen kakkerlak gezien, en wilden dit ook zo houden, dus ja, het schoonmaakbedrijf mocht bij ons zijn gang gaan. Trouwens het was nu gratis. Als later zou blijken dat we het niet hadden laten schoonmaken en de kakkerlakken zaten er nog, dan zouden de kosten voor eigen rekening zijn.  Geen moeilijke keus zou je denken. En toch dacht ons buurmeisje hier anders over. Zij besloot haar kamer niet schoon te laten maken, met alle gevolgen van dien.

Na een paar weken belde ze bij ons aan. Ze had een beestje gezien en vroeg zich af of wij misschien wisten of het kakkerlakken waren, want wij kwamen immers uit de tropen en wisten hoe een kakkerlak eruit zag. Met de slippers in de hand liepen wij haar kamer binnen en zagen in eerste instantie niets. Tot ze haar koelkast opzij schoof.  Daar was het een waar kakkerlakken paradijs. Honderden krioelden er over elkaar heen. Niet in het formaat als op Curaçao. Deze hadden het formaat van een gekookte rijstkorrel, maar als het er zoveel bij elkaar zijn, dan gaan je haren alsnog recht overeind staan.

Ik slaakte een aantal kreten die niet vermeld mogen worden in dit stuk, maar geloof me , als ik dit zeg: ik heb mijn mond weer met zeep moeten wassen die middag.

zaterdag 8 oktober 2011

kaas-worst feestje

Van jongs af aan heeft mijn familie mij geleerd wat feesten is. Toen wij als kind nog in Nederland woonden vierden we oud en nieuw met enige regelmaat met de familie van mijn vaders kant. Wij vonden dat bij voorbaat geweldig. Dat betekende lekker eten, dansen en veel vuurwerk.

Toen wij later op Curaçao woonden maakten wij nog vele feestjes mee. Bij familie, als ook bij vrienden. En bij al die feestjes stond eten en dansen centraal.

Toen wij net in Nederland woonden gaven wij zelf ook veel feestjes. Zeker met de verjaardagen pakten we flink uit. En dan was er altijd veel eten en werd er gedanst.

Hoe anders heb ik feestjes meegemaakt bij Nederlandse vrienden. Gelukkig niet bij iedereen, maar bij sommigen kon ik bij aankomst de rest van de avond al voorspellen.

De aanwezigen zaten netjes in een kringetje om de tafels  heen. De tafels waren steevast de eettafel, met daaraan de tuintafel geschoven. Wat tafelkleden eroverheen en niemand die het zag. Daaromheen dus de gasten die er al waren. Ouders, grootouders, buren en een eventuele broer of zus. Je schoof aan en hoopte maar dat de volgende die binnen zou komen een leuk persoon zou zijn, of in ieder geval een bekende van je, anders zat je de rest van de avond ingeklemd tussen, oma, die onverstaanbaar was omdat ze haar gebit niet in had en buurman die zijn handen niet thuis kon houden.

Dit hadden we snel door, dus op tijd komen , wat we net hadden geleerd in Nederland, leerden we op dit soort feestje acuut weer af. Beter was het om iets later te komen. Niet te laat, dan had je ook keus meer waar je ging zitten, maar zo halverwege de avond was goed. meestal  had je dan keus tussen drie plekken.

Op tafel stonden standaard een paar schaaltjes en in die schaaltjes zaten pinda’s, pinda’s en eh….pinda’s. De avond begon met koffie en thee en gebak. Pas nadat iedereen een tweede kop koffie of thee had gehad werd er iets anders aangeboden. Een glaasje fris of bier. Wijn was bij de meesten te sjiek en rosé was nog niet hip in die tijd. Nu pakten men ook een handjevol pinda’s. En daar kwamen de eerste schalen uit de keuken. Schalen met blokjes kaas en plakjes worst. Leverworst. Soms met wat schijven komkommer erbij.

Als de gastvrouw het mooi vond, werd er niets meer bijgeschonken en werden de kopjes afgewassen in dekeuken. De deuren nu wijd open zodat iedereen kon horen, de afwas wordt gedaan, het is tijd om te gaan.

Dansen? Ja, dansend gingen wij de deur uit, jippie, we mochten weg. Wij dansten naar de kroeg om daar nog een borrel te pakken, daarna dansend naar huis waar de muziek nog even aanging, dan dansend naar bed om te kunnen dromen van alle dansfeesten die we hadden meegemaakt. En onszelf belovend dat wij nooit, maar dan ook nooit een kaas-worst feestje zouden geven.

zaterdag 1 oktober 2011

bruiloftsmuziek

We zijn getrouwd in Nederland. Niet direct onze eerst keus, maar budgettair gezien, de enige keuze. Als het dan toch in Nederland moest, dan wel met een flink aantal Antilliaanse gewoonten en gebruiken.

Zo ook de muziek. We hadden via mijn zus een geweldige band. En daarbij ook een goede geluidsinstallatie waar cd’s gedraaid konden worden.

Thuis hadden we een playlist gemaakt. Merengue’s en salsa stonden daarop. Opgenomen in een bepaalde volgorde. Wetende dat dat sfeerverhogend zou zijn.

Halverwege de avond werd de cd ingezet en inderdaad, de voetjes gingen van de vloer en er werd flink gedanst. Niet alleen door de Curaçaose vrienden en familie die er in overvloed waren, maar ook door Nederlandse vrienden en familie. 

Ik had het geweldig naar mijn zin, tot onze( Nederlandse) ceremoniemeester mij vertelde dat ze deze muziek wel snapte. Het was net zoiets als Fransje Bauer of Gerard Joling, maar dan in het Papiaments met een ander ritme eronder. Ik wist even niet of ik nu beledigd moest zijn of niet. En ze ging door. Het was steeds dezelfde tekst met een leuk dansje erbij.

Ik ben er maanden later nog eens over gaan nadenken. Ik heb helemaal niets met Gerard Joling en nog minder met Frans Bauer, maar snapte wel wat ze bedoelde. Ja, wij hadden ook onze dansjes en ja, ik herkende ook de herhalingen in de muziek, en toch vond ik het nog steeds een soort van belediging. Hoe kon je zo iets tropisch en exotisch als merengue’s nu vergelijken met de hoempapa muziek die Frans Bauer ten gehore brengt.

Onze muziek is elegant, sfeervol en brengt vele verschillende groepen mensen samen. Het is bindend en ras, leeftijd of afkomst doet er niet meer toe. Hoe anders is dit bij Nederlandse volkszangers. Dat vind je mooi of niet. Iets ertussen in is er niet.

Op de bruiloft werd dit zeer duidelijk. Bij menig liedje stonden we met zijn allen in de lucht te springen, of in onze handen te klappen, we hebben zelfs met zijn allen net gedaan alsof we op een ezel aan het rijden waren. Eh…. elegant toch? Of toch niet.

Nu , na een jaar, moet ik bekennen, dat onze ceremoniemeester steeds neer gelijk had. Er zijn zeker parallellen tussen de muzieksoorten.  Wat belangrijker is, ik zie het niet meer als een belediging, maar als een compliment.

Zij voelde zich helemaal thuis op het feest, tussen al die gekke Antillianen,  die en masse begonnen mee te zingen met Koré buriku en Solo solo. En dat is waar wij in onze cultuur zo goed zijn. Mensen het gevoel geven dat ze altijd welkom zijn, dat we samen één zijn.

En toch……terwijl ik dit schrijf moet ik bekennen, of erkennen, dat er de laatste jaren ook een hoop veranderd is op het eiland. Het vanzelfsprekende van bovenstaande is er niet meer. Er wordt, niet in de laatste plaats door politici, met scheve ogen gekeken naar onze medelanders en dit komt niet altijd ten goede aan de sfeer.

Om dit cultuurgoed niet te vergeten en om deze in oude glorie te herstellen: ‘zullen we maar weer’.

zondag 25 september 2011

naar de haaien

Ik ben ontzettend goedgelovig. Altijd al geweest.

Ik kwam terug van een vakantie op Curaçao waar ik alleen was geweest en mijn zwager en mijn man haalden mij op.

Nog duf en vermoeid van de reis zit ik te soezen achter in de auto als ik ze over Curaçao hoor praten. Over een nieuw project met haaien dat daar opgestart is.

Ik veer iets overeind en vraag waar ze het over hebben.

Nou, over een project met haaien, deep blue sea. Had ik daar dan niet van gehoord? De kranten hadden er hier bol van gestaan.

Ik keek ze aan of ze gek waren en zei meteen dat er niet zoiets was op Curaçao. Er zijn wel haaien, maar niet in die context. En rustig ging ik weer achterover zitten, naar buiten kijken, en mezelf afvragen wat ik in hemelsnaam deed in dit groene , platte land met koeien in de wei.

‘Je hebt echt iets gemist hoor’. En voordat ik kon reageren werd mij uitgelegd hoe het project in zijn werk ging. En gaandeweg de rit begon het steeds aannemelijker te klinken.

Ja, er zijn haaien op Curaçao, dus zo’n project zou inderdaad makkelijk kunnen, toch?

En ik kon het nieuws toch gemist hebben?

Dat mijn man, toentertijd nog mijn vriend, ook stug vol viel betekende wel iets voor mij. Dan zou het dus wel waar zijn.

Ik bekeek de groene weilanden , die voorbij raasden met iets andere ogen. Een koe is alleen log en groot, en staat negen van de tien keer achter een hek, of in de wei waar een sloot tussen ligt. Een haai is een ander verhaal. Die zie je niet aankomen als je in het water bent.

Ik ben al geen held. Ga alleen zwemmen bij stukken waar ik nog kan staan of waar ik de bodem echt goed kan zien. Duiken heb ik één keer gedaan , en dat was geen succes vanwege de angst voor haaien.

Haaien zijn niet grappig, daar moet je geen grappen over maken. Dat wisten ze, dus het moest wel waar zijn.

Ik sta op het punt om mijn ouders te bellen om te vragen waarom ze mij niet hebben gewaarschuwd voor dit project als ik gegrinnik hoor. Ik zie de pretoogjes voor me en plof weer achterover in de stoel.

Niks geen project, gewoon een suffe film die ze de avond van te voren hebben gezien en een meisje dat, zeker na  een reis van tien uur, erg goedgelovig is.

Hoe kan ik ook zo suf zijn om te denken dat deze twee heren het beter weten dan ik, ik, die haar halve leven op de Antillen heeft gewoond.

Naar de haaien met ze.

zaterdag 17 september 2011

bekende Nederlanders

Mijn eerste stage adres in Nederland was bij de schouwburg in Nijmegen. Ik mocht receptie werk doen.

Het leukste van deze stage was , dat ik gratis optredens mocht zien. Voor een arme student niet gek natuurlijk. Zo zat ik op een avond bij Herman Finkers,  een  cabaretier die in het oosten van het land woont.  Niet in de zaal, maar bij de mannen van de techniek. Gratis oké, maar dan wel in het lichthok. Geen probleem.

Ik had een ander probleem. Dat was een taalprobleem. Ik kon Herman Finkers namelijk helemaal niet verstaan. Hij sprak wel Nederlands, maar had een ongelooflijk accent. Hij is een tukker. Zo worden mensen uit het oosten van het land ook wel genoemd. Nu versta ik ze, maar toen , geen woord. De eerste paar grappen lachte ik dapper mee met de techniekmannen. Ik wilde me niet laten kennen, maar ik hield dit niet vol.

Al gauw moest ik vragen wat er werd gezegd, waardoor ik steeds de clou mistte, en te laat lachte, waardoor ik de volgende inleiding weer mistte, en daardoor de clou. U snapt het, de inhoud van deze avond is niet in mijn herinnering blijven hangen. Als het ministerie in Nederland ooit nog een verscherpte maatregel zoekt in het kader van inburgeren, dan kunnen ze met een gerust hart vragen aan de migrant om een samenvatting te geven van een voorstelling van Herman Finkers. Er zullen weinig mensen die cursus volbrengen, of ze moeten uit Tukkerland komen.

Net zo’n cultuur shock was Paul de Leeuw voor mij. Een hype was hij in Nederland. Hij schoffeerde iedereen. Vrouw, man, kind, gehandicapt, het maakte hem niet uit. En het gekke was nog, hij kwam er mee weg. Iedereen vond hem geweldig. Inclusief die gehandicapten. Ik snapte er niets van. Het heeft jaren geduurd voordat ik doorhad dat dit normaal geaccepteerd werd in Nederland. Je kon hier zomaar mensen belachelijk maken, en er dan ook nog betaald voor krijgen.  Tegen de tijd dat uitzendingen herhaald werden vond ik Paul de Leeuw ook leuk. Ik was inmiddels genoeg ingeburgerd in het land om te snappen dat dit humor was.

Nu ik cabaret snapte, met veel plezier keek en nog steeds kijk naar onder andere Jorgen Raymann wilde ik ook graag cabaret zien van eigen bodem. Dus toen vrienden mij mee vroegen in Dordrecht naar een voorstelling zei ik meteen ja.

En toen ging het mis. Was ik inmiddels genoeg ingeburgerd in Nederland om cabaret te snappen, was deze avond in het Papiaments en daar had ik geen seconde rekening mee gehouden.

Dus al gauw klonk er vanuit mijn stoel: wat zei hij? Hè? Wat zei hij? Hahahahaha, ja dat was grappig. Hoe bedoel je, niet grappig meer.


zaterdag 10 september 2011

krabben

Krabben vangen heb ik nooit gedaan. Wel veel vrienden over gehoord vroeger. Ook mijn vader ving nog wel eens krabben met zijn broers. Met meerdere blikken naar  Saliña, wachten tot de krab rustig zit, oppakken en in het blik stoppen. Mee naar huis nemen en je at die avond krab.

Het leek mij wel leuk om het eens te gaan doen, maar op de een of andere manier is het er nooit van gekomen.

Wel krabben van dichtbij gezien. Binnen- en buitenshuis kregen wij bezoek van een krab. Er heeft zelfs een krab bij ons in de tuin gewoond. Dat wil zeggen, hij had onze tuin gekozen als vaste standplaats en wij lieten dat toe.  Elke dag even kijken of de krab er nog was, en op een dag was hij weg. Daar stelde je geen vragen bij, dat was gewoon zo.

Ook op straat de nodige krabben gezien. Waarvan één het niet meer na kan vertellen. Ik kwam hem tegen en wilde hem ontwijken. Dus met een bochtje ging ik erlangs, vergetend dat de krab niet voor- of achterwaarts loopt, maar zijwaarts. Dat was een korte ontmoeting met deze krab.

In Nederland zie ik krabben voornamelijk in de winkel liggen. In het diepvries vak, schoongemaakt en klaar voor consumptie. Om krabben in levende lijven te zien zal ik naar de zeeprovincies moeten gaan. Noordzeekrab, wolhandkrab uit het IJselmeer. Alleen in Nederland zijn er al elf krabsoorten. Ik zou ze toch allemaal eens willen ontmoeten.

Niet zozeer in levende lijven.  Ergens heb ik ooit een parallel getrokken tussen een krab en een spin en sindsdien vind ik ze eigenlijk te eng om te zien. Ze hebben een aantal poten te veel en een enge kop. Als ik dan ook nog lees dat er dus een wolhandkrab is, dan lopen de rillingen me helemaal over het lijf. Die zullen dus wel harig zijn.

Ik vind het een prima alternatief als wij elkaar pas tegenkomen als ik op een stoel achter een tafel zit en de krab mij vanaf mijn bord aankijkt, rood geblakerd van het hete water met holle ogen.

Dat ik krabben al lang niet meer als veredeld huisdier beschouwde bleek al toen ik zo’n acht jaar geleden op vakantie was op Curacao met de kinderen. Bij de boogjes  liepen zij wat rond toen zij voor het eerst levende, loslopende, oftewel scharende krabben zagen. Ze riepen enthousiast dat ik moest komen kijken.  Enigszins gedesillusioneerd  hoorden zij mijn antwoord aan: ‘lekker’, was het enige wat ik uit kon brengen, waarna ik naar mijn tafel liep om mijn bestelling aan te passen.  


zondag 4 september 2011

kerosine en warmte


Ik kan de kerosine lucht van de vliegtuigen op Hato nog altijd ruiken.  Het eerste gevoel van thuiskomen noemde ik het altijd. Dan stond je daar boven aan die vliegtuigtrap, je werd overvallen door die kerosinelucht vermengd met de warmte die van het platform afkwam en je wist het: ik ben weer thuis. Hoe jammer vind ik het dan ook dat we nu al weer een aantal jaren door een slurf geloodst worden om vanuit het airco vliegtuig , door de airco slurf, bijna warmteloos naar de airco aankomsthal worden gebracht. Een stukje nostalgie dat mijns inziens moest wijken voor het comfort van wie?

Ik heb geen idee. Waarschijnlijk bedacht door een aantal mensen die vonden dat Curaçao een eiland van wereldformaat was, dat dus ook moest voldoen aan de standaard voor wereldformaat steden. Een slurf met airco dus.

Ik heb aan de andere kant gehoord dat een Amerikaanse vliegmaatschappij dit heeft bedongen, voordat het besloot om wekelijks, zo niet dagelijks op Curaçao te vliegen. Want de Amerikanen zijn deze luxe gewend en anders zouden ze niet naar het eiland willen komen.

Ja, ik zie het al voor me dat de gemiddelde Amerikaan bij het boeken van een vlucht naar Curaçao vragen of er bij aankomst wel een aircoslurf is waar ze doorheen mogen lopen, anders krijgen ze het namelijk zo warm en dat is toch echt niet de bedoeling als je naar een tropisch eiland gaat.

Nee, zo zal het niet gegaan zijn, of het überhaupt doorgedrukt is door de Amerikanen durf ik ook niet te beweren. Nogmaals , het is van horen zeggen. Feit blijft dat ik het jammer vind.

Ik vond het mede om deze reden altijd heel frustrerend als de vlucht een tussenlanding maakte op Aruba en je mocht er niet uit; ondertussen gingen deuren van het vliegtuig wel even  open. Je rook de kerosine en je voelde de hitte van het platform het vliegtuig in dwalen, maar je was nog niet thuis. Vaak stonden we in de deuropening, te mijmeren over hoe het over anderhalf uur zou zijn. Want die tijd stond je meestal wel aan de grond. Samen met vrienden , die ook naar huis gingen, stond je alvast plannen te maken voor die avond, we raakten al helemaal in de stemming, en dat allemaal door die lucht en die warmte.

De gemiddelde Nederlandse  toerist die ook in het vliegtuig zat had er meer moeite mee. Die begonnen naar zakdoeken te zoeken en droogden hun bezwete hoofden ermee af. Zweetplekken onder hun oksels namen ware vormen aan en de broeken en rokken, die zo keurig de laatste tien uur hadden overleefd, kleefden nu aan hun benen.

‘Sjezus, wat is het hier heet’, hoorde je om je heen, als ook:

‘Kan die airco niet aan?.

Geen probleem meneer, die airco op het eiland staat hier al duizenden jaren aan. Die heet de passaatwind en waait nagenoeg altijd.

Menig verhaaltje wordt beëindigd met de woorden: en de olifant met zijn lange snuit, blies het verhaaltje uit. Toch jammer dat deze olifant als taak heeft, een surrogaat verkoeling te moeten bieden aan hen die de warmte van het eiland niet meteen , maar pas bij het verlaten van de aankomsthal willen voelen.

Welkom in de tropen.