zondag 15 mei 2011

kledingcodes

Ik heb inmiddels verschillende bruiloften meegemaakt van Nederlandse vrienden. Ook veel op Curaçao, dus vergelijkingsmateriaal heb ik wel. Het grootste verschil echter is toch wel de kleding die gedragen wordt op zo’n gelegenheid.
Ik ben niet anders gewend dan dat ik voor bruiloften iets nets in de kast heb hangen. Niet één jurk, nee minstens een paar. Stel je voor dat je een paar bruiloften in een paar jaar hebt binnen dezelfde vriendenkring. Dan wil je toch niet steeds in dezelfde jurk gezien worden.
Groot was mijn verbazing dan ook toen ik voor het eerst op een bruiloft van een collega was.  Thuis gekomen na het werk heb ik eerst uitgebreid gedoucht, daarna omgekleed, make-up, jurk, hakjes, haren netjes bij elkaar.
Op de afgesproken tijd kom ik aan bij de feestlocatie waar ik mijn collega’s ontmoet die ook zijn uitgenodigd. Nog in hun werkkleding van die dag staan ze op een kluitje voor de deur. Zelfs een kam door hun haar halen was schijnbaar te veel moeite. Ik zie nog de koffievlekken van collega één van vanmiddag en de spijkerbroek van collega twee is zodanig gekreukeld dat hij hem zeker al drie dagen aan heeft. Ik onderdruk een kreet van afschuw en kijk naar mijzelf in het raam van de feesttent. Ik ben duidelijk overdressed en val uit de toon. Ik voel de blikken van mijn collega’s. een enkeling zegt dat ik er leuk uit zie, maar het merendeel kijkt weg. Er is er één die grappig denkt te zijn en zegt: ‘je bent vast knapper dan de bruid’. Niet geheel op mijn gemak loop ik met de rest mee naar binnen, waar ik zie dat ik inderdaad van alle gasten het meest overdressed ben. Zelfs de naaste familie van het bruidspaar heeft kleding aan waar ik gewoonlijk mijn boodschappen in doe.
Gelukkig is het de laatste jaren beter geworden en zie je steeds vaker op de uitnodiging van een huwelijk een kledingcode staan. Dat niet iedereen die begrijpt, of de moeite neemt om de betekenis ervan op te zoeken op het internet is een gemiste kans. Nu loopt die ene persoon er bij als een slons, in plaats van moi, als de belle van het bal.
De enige plek waar ik nog steeds geen verbetering zie in kledingkeuzes is tijdens begrafenissen. In de winter valt het wel mee. de meeste mensen hebben een donkere winterjas ( grijs of zwart) en omdat het in de kerk altijd koud is houden mensen hun jas aan. Zo zijn ze in stemmig zwart of grijs gekleed. Hoe anders wordt het al als de uitvaart bestaat uit een dienst bij het altijd te warme uitvaartcentrum of de begrafenis is in de zomer. Ik zie nog steeds rode zomerjurkjes vol bloemen voorbij komen. Of spijkerbroeken met sandalen daaronder, waardoor de niet geknipte teennagels van de desbetreffende drager enorm afleidend zijn van hetgeen we daar aan het doen zijn.
Namelijk de overledene een laatste bezoek brengen. De overledene die altijd vooraan stond bij bruiloften, in zijn spijkerbroek van drie dagen oud, met koffievlekken in zijn vergeelde t-shirt. Ik kijk naar mijn zwarte jurkje, nylons en hakjes, ik veeg met mijn hand een denkbeeldig losgeraakte haar uit mijn gezicht en zeg zacht tegen de dichte kist:
‘ Spiegeltje spiegeltje aan de wand, geeft u deze man wat kledingadvies voor in uw beloofde land?’ 

zondag 8 mei 2011

bij de bloedbank

Ik kreeg deze week weer een oproep van de bloedbank ik de brievenbus. Ik mocht weer kom en.
De bezoekjes aan de bloedbank duren nooit zo lang. Eerst vul je een vragenlijst in, dan heb je een gesprek met de arts over die vragenlijst. Dat duurt bij elkaar ongeveer tien minuten. Dan netjes op je beurt wachten voordat je in de grote stoel mag gaan zitten om daadwerkelijk bloed af te geven, al me tal zo’n twintig minuten. Na afloop nog even wat drinken en eventueel wat lekkers erbij, weer een kleine tien minuten. Dus na een goede drie kwartier sta je weer buiten.
Alleen duren bij mij de gesprekjes bij de arts altijd langer dan gepland. Ergens halverwege de vragenlijst komt deze vraag: bent u de afgelopen zes maanden op vakantie geweest buiten Europa?  Altijd eerlijk als ik ben vul ik vaak ja in. In ben immers vaak op Curaçao. Hmmmm, zie je de arts dan denken wanneer die de vragenlijst doorleest. Curaçao, tropen, en alle alarmbellen gaan rinkelen. Gele koorts, malaria, hepatitus A tot en met Z, dengue. Het hele scala aan tropenziektes wordt nu doorlopen. Of ik een van bovenstaande wel eens heb gehad en of ik wel eens een enting hiertegen heb gehad.
Nu hebben wij in ’84 een heleboel inentingen gehad, maar welke weet ik niet meer, dus daar hou ik dan maar mijn mond over dicht. Wel vertel ik dat ik dengue heb gehad. Er is mij altijd verteld dat je dat maar één keer in je leven kan hebben. Ik was zestien, dus ik heb me jarenlang veilig gewaand voor alle muggen op het eiland. Prik maar lekker jongens, ik heb al dengue gehad. Ik krijg het niet meer.
Groot was mijn verbazing dan ook toen de arts vertelde dat je dengue gerust vaker dan één keer kan krijgen. Iedere keer weer was het aanleiding voor de dienstdoende arts om de boeken, internet, en collega’s te raadplegen met de vraag: mag mevrouw bloed geven als ze ooit dengue heeft gehad en iedere keer weer mocht het.
Ik zeg nog: maakt u maar een aantekening in mijn dossier. Nee mevrouw, dat kan niet. Maar na de vierde keer werd mij toch vriendelijke verzocht om niet meer te vermelden dat ik ook dengue had gehad. Het kostte te veel tijd om dat iedere keer uit te zoeken en het kon geen kwaad.  Prima, zij blij, ik blij, iedereen blij.
Nu vulde ik de laatste keer alleen in dat ik op Curaçao op vakantie was geweest. Ik sprak met geen woord over dengue. Mocht ik toch geen bloed geven, want mogelijk was ik besmet met het dengue virus.  Ik probeerde nog duidelijk te maken dat ik dat niet had, want ik wist hoe het voelde om dengue te hebben, waarna de boeken er weer bij werden gehaald om te kijken of je bloed mag geven als je ooit dengue hebt gehad. Ik heb het antwoord niet afgewacht.  Ik zat al in de auto onderweg weer naar huis.  

maandag 2 mei 2011

n.a.v. artikel Wiels, over een stad op curacao, bijeengespaard door curacaoenaars in nederland.

Ik wil ook zo’n flat waar meneer Wiels het over heeft gehad. Ik wil graag de bovenste verdieping. Dan heb ik een mooi uitzicht, of toch juist de onderste? Dan kan ik snel naar buiten wanneer ik daar zin in heb.
En komen deze flats nu juist op Curacao te staan of in Nederland? Dat is mij in de berichten die ik las niet helemaal duidelijk geworden. Ik ga ervanuit op Curacao.
Maar daar gaat het mij niet om. En meneer Wiels ook niet heb ik zo het vermoeden.
We zullen eerst met zijn allen moeten gaan betalen. Heel veel betalen. Die vijfentwintig euro in de maand lijkt niet veel. Je geeft het makkelijk uit in het grote geheel en aan het eind van de maand denk je vaak, waar is het toch allemaal gebleven, maar als ik sec kijkt naar het bedrag en bedenkt wat ik  allemaal kan kopen daarvan, dan is het toch een heleboel geld.
Ik weet dat er genoeg mensen zijn, waaronder ook veel Antillianen, en ik geloof dat meneer Wiels toch deze toch in gedachten heeft, die die vijfentwintig euro niet kunnen missen in de maand. Zij moeten elk dubbeltje omdraaien om rond te kunnen komen.
Het lijkt zo’n vetpot in Nederland, maar wat je allemaal moet afdragen aan de fiscus en verzekeringen is niet mals. Als je dan ook ooit een tijdje wat boven je stand hebt geleefd, zit je nu in de schuldsanering, waardoor die ook nog beslist waar je salaris aan opgaat. Het kleine beetje waar je zelf nog over mag beslissen is net toereikend voor het eten in de week en misschien nog een paar schoenen, ééns in de drie maanden.
Los van het feit of het plan haalbaar is of niet, de geldschieters zullen waarschijnlijk te vinden zijn in de toekomstige pensionado’s. Die hebben geld genoeg en dit is wel een hele makkelijke manier van investeren. Nu, eind dertig, over vijf jaar genoeg ingelegd voor een mooie etage op de bovenste verdieping die maar meteen penthouse genoemd gaat worden. Ik hoor ze denken, als we nu nog één jaar langer inleggen, dan bouwen we daar een zwembad bij, we laten een tuin aanleggen en waarschijnlijk is er meer dan genoeg geld over om er een mooi hek omheen te zetten, met een guard.
Nee, meneer Wiels, ik ben bang dat u plan te ambitieus is. Dat u uw doelgroep voorbij schiet. Als ze het al zouden zien zitten om vier hoog achter te wonen, met waarschijnlijk uitzicht op berg Domi. Met of zonder wabi zicht.
Wielswijk, het klinkt wel lekker vlot, maar geef ons andere mogelijkheden om terug te komen. Er staan genoeg huizen leeg waar we in willen wonen, geef de huizenprijzen een kans in guldens, laat die eurotekens weg, creeer banen waar we voor terug willen en kunnen komen. Geef ons salaris dat toereikend is om de huur van die huizen te kunnen betalen, zodanig dat we ook nog een autootje kunnen aanschaffen en onze verzekeringen kunnen betalen.
Een huis is mooi, maar wat heb ik aan huis als er verder niets is.
Maar even onder ons gezegd, mocht het er toch van komen, dan wil ik graag een etage op de eerste verdieping, met garage waar de bus kan parkeren die mij op komt halen om mij naar mijn werk te brengen, en een wabi struik zodat ik daar dan met kerst dan wat ballen in kan hangen zodat ik toch ook een kerstboom heb.  Want geld daarvoor heb ik niet meer, die zit in mijn etage waar ik vijf jaar lang heel hard voor heb moeten sparen.

zaterdag 23 april 2011

zo dom

Er zijn mij en mijn familie vaak vragen gesteld over het wonen op Curacao. De meest gestelde blijft over het weer gaan. Is het daar nu altijd mooi weer? Nooit winter? Mis je dat niet? Als kiespijn is dan altijd mij antwoord.
Op sommige vragen kan ik gewoonweg geen antwoord geven. Die vragen zijn meestal te dom om over na te denken.
Toen wij in de jaren tachtig remigreerden naar de Antillen was dat heel wat voor het dorp waarin wij woonden. Dat dorp was een klein gehucht in het oosten van het land, vlakbij de grens van Duitsland. De meesten van mijn klasgenoten hadden de grensplaatsen van Duitsland misschien ooit gezien, maar veel verder waren ze niet geweest. Amsterdam kenden ze alleen uit de boeken, laat staan een eiland in de Caribische zee.
Ze wisten er niets van en stelden ons allerlei vragen. Onschuldige, zoals, wat voor weer is het daar? Wat eten ze daar? Maar de meest domme vraag die ons gesteld is zal ik nooit vergeten: poetsen de mensen daar hun tanden? Ik geloof dat ik niet eens antwoord heb gegeven. Er kwam geen woord over mijn lippen, alleen heel veel ongeloof uit mijn ogen.
Toen wij een paar jaar later een keer in Nederland op vakantie waren en door de Efteling liepen raakten we aan de praat met een paar jongens. Curaçao hè, dat was wel interessant. Ook nu weer dezelfde vragen als anders, met als klap op de vuurpijl, wonen jullie daar in boomhutten.  Inmiddels wat wijzer en brutaler geworden beaamden wij dat volledig. Ja wij wonen in boomhutten en slingeren via lianen naar school.
Een vraag die terug blijft keren is de vraag of we bepaalde mensen kennen. Want hoe klein het eiland ook is, hier in Nederland kent inmiddels iedereen wel iemand die ooit op Curaçao is geweest, of heeft een buurvrouw die er ook vandaan komt.
‘Ken je de familie Frederica?’, die heeft daar gewoond.
‘Eh…kan best…maar wie bedoel je precies?’.
‘Dat weet ik niet precies , maar mijn kapster is net op Curaçao geweest en vertelde dat ze daar zo vriendelijk is geholpen door een mevrouw Frederica’.
Tja, daar kan ik dus niets mee. Ik probeer dan uit te leggen dat er op Curaçao ongeveer net zoveel mensen wonen als in Den Bosch. Ik vraag of zij iedereen kennen in Den Bosch. Meestal is het gesprek dan snel afgelopen, maar er zijn er bij die nogal volhardend zijn en blijven doorvragen.
‘Maar ze wonen vlakbij Willemstad’. Of ‘Ze werkt daar en daar’.
Tegenwoordig vraag ik terug. Of ze meneer Jansen kennen. Die woont vlak bij de supermarkt, draagt altijd een groene jas. Of mevrouw de Vries, je weet wel, die werkt in dat winkeltje in de stad en als ik het echt niet meer weet vraag ik maar of ze hun tanden poetsen. Als je dan toch een domme vraag wil stellen zorg er dan voor dat de vraag ook echt dom is. 

zaterdag 16 april 2011

kinderverjaardagen

Kinderverjaardagen zijn toch een wereld van verschil in Nederland en op Curaçao. Bij de eerste kinderverjaardag die ik meemaakte op Curaçao mocht ik meehelpen. Ik nam de cadeautjes in ontvangst en schreef de naam erop van wie het kwam. Alle cadeautjes kwamen op een grote stapel en de jarige mocht ze aan het einde van de middag, als iedereen weg was open maken. De namen erop waren nodig om de ouders een bedankkaartje te kunnen sturen.
Ik vond het nogal omslachtig. Als het kind het cadeautje meteen kon open maken konden de ouders ook meteen bedankt worden. Nu snap ik beter waarom dit niet altijd haalbaar is. Veertig kinderen, plus één of twee ouders is niet ongewoon op sommige kinderfeestjes op Curaçao. In Nederland is het een soort van ongeschreven regel dat je maar een paar kindjes uitnodigt. Tijd genoeg dus voor de cadeautjes om die meteen uit te pakken. Veertig cadeautjes uitpakken, dan is het feestje al halverwege voordat je überhaupt toekomt aan taart eten en de piñata.
Met een gulden middenweg van tien kinderen hadden wij vanzelfsprekend ook altijd een piñata. Mijn vader maakte deze zelf en wij keken deze knutselavonden vol verwachting mee. Hij werd steeds mooier tot hij af was. De piñata stond of hing klaar in de kamer. Een mattenklopper of knuffel werd niet gebruikt om hem kapot te slaan. Oude kranten werden nat opgerold zodat die goed stevig waren als ze weer opdroogden. Om de beurt mochten we slaan en het feest was altijd geslaagd. In tegenstelling tot Curaçao waar de piñata op een bepaalde leeftijd niet meer aan bod komt op feestjes, hebben wij het tot ons twaalfde vol gehouden. Al zouden we het niet meer hebben gewild, dan hadden we die kans niet gekregen. Bij het uitdelen van de uitnodigingen vroegen vriendinnen steevast, jullie hebben toch wel weer zo’n ding hè, die we kapot mogen slaan.
Inmiddels heb ik zelf een kindje en hij heeft ook altijd een piñata op zijn feestje. Ook ik maak ze zelf. Ik zou ze kunnen kopen in Nederland. Daarvoor moet ik wel naar Rotterdam of een andere grote stad waar veel Zuid-Amerikanen wonen, maar ik vind het veel te leuk om hem zelf te maken. Elk jaar weer een ander thema. Geen opgerolde kranten bij ons, de afgelopen jaren nog treklintjes, maar dit jaar voor het eerst een mattenklopper.
Naast de piñata is het eten ook een groot verschil. Krijg je op een Nederlandse verjaardag een stukje taart op een stenen schoteltje en met wat geluk nog een plakje worst of een zoute stengel die met een beetje pech één keer rondgaat op een schaal, op Curaçao staat naast de piñata het eten centraal. Veel en lekker. Ook ik pak graag uit en heb naast de taart, chips, limonade en snoepbakken, ook eten voor op het eind. Het liefste een broodje stobá  of een grote pan nasi met sateetjes voor iedereen. Op plastic bordjes natuurlijk. En we drinken uit een cup.
Ik probeer de kinderfeestjes hier goed na te bootsen met de feestjes van Curaçao, met één groot verschil, de cadeautjes mogen meteen uitgepakt worden, en één groot gemis, ik kom altijd stoelen te kort. Franky’s, ik mis je. 

zaterdag 9 april 2011

In het reisbureau, terwijl ik zit te wachten om een reis te boeken raak ik in gesprek met een meneer die naast mij zit.

 ‘Oh, je komt van Curaçao?’
‘Ja, nou nee, eigenlijk van Bonaire’.
‘Oh, ja dat ken ik wel. Is het nou altijd lekker weer in Suriname?’.
‘Eh, ja het is altijd warm op Curaçao’.
‘Ja, ja, dat zeg ik. En ga je nog vaak terug?’
‘Niet zo vaak als ik zou willen, het is duur he’.
‘Hebben ze op Aruba ook de euro?’.
‘Nee, op Curaçao hebben ze nog guldens, het enige land in de wereld die nog guldens heeft’.
 ‘De Surinaamse gulden dus, haha’.
‘Nee meneer, de Curaçaose gulden dan ‘.
‘Ja, dat bedoel ik, Aruba, Suriname, het is allemaal hetzelfde toch?’.
‘Nee meneer, dat ligt allemaal vrij ver uit elkaar. De afstand Curaçao – Suriname is bijna even ver als de afstand tussen Amsterdam en Rome’.
‘Dat is dus goed te doen met de auto’.
‘Met het vliegtuig meneer, je kan niet met de auto, je moet een oceaan over’.
‘Oh, nou dat is ook wat. Ik ben trouwens ook wel eens in Suriname geweest’.
Curacao meneer, Curacao, daar kwam ik vandaan. Ik ben nog nooit in Suriname geweest!’.
‘Nou vrouwtje, u hoeft niet boos te worden hoor, het is geen schande dat u nooit in Suriname bent geweest. Ik ben nog nooit in Rome geweest’.

‘Lieve mevrouw van het reisbureau, mag ik voor deze meneer alstublieft een enkele reis naar Rome boeken en doe er maar een atlas bij’. 

zondag 3 april 2011

meneer pastoor

Op school komen regelmatig kinderen van de Antillen. In de gang spreek ik ze wel eens aan. Vaak zijn het jonge kinderen, die in de onderbouw op school zitten.
‘Bon dia’, zeg ik. Dubbel schrik zie ik bij de kinderen. Een juffrouw van de bovenbouw die tegen ze praat. Help, zie je ze denken, die ken ik niet. Wat moet ik doen. En dan ook nog een juffrouw die Papiaments tegen ze spreekt. Heel voorzichtig hoor ik een ‘Bon’ terug.
De weken erna, als we elkaar weer tegenkomen, worden deze leerlingen steeds vrijer naar mij toe. Ze weten nu inmiddels dat ik wel een juffrouw van de bovenbouw ben, maar niet zo heel erg eng, en ja, ik kan een beetje Papiaments.
Soms heb ik wel eens spijt dat ze dat weten, want nu willen ze vaak een gesprekje aanknopen met mij en ja, dan stokt mijn Papiaments. Ik begin te stamelen en stotteren en ga vlug over op het Nederlands. Was er eerst schrik bij de kinderen, nu zie ik teleurstelling. Weg bondgenoot, wel thuisgevoel. Weer zo’n juf die wel populair doet, maar het niet kan waarmaken.

Andersom heb ik het ook meegemaakt. Tijdens mijn studie heb ik  een paar weken stage gelopen op de Margaretha school te Janwé. Een geweldige tijd, met een leuke klas, met vooral hele lieve kindjes. Kinderen die gepokt en gemazeld waren door het Curaçaose schoolsysteem en vooral heel beleefd waren. Niet gauw een weerwoord gaven, en mij continue aanspraken met ja juffrouw en nee juffrouw. Dat was wel even wennen. In die klas zat één jongen, die net uit Nederland was verhuisd. Hij sprak weinig Papiaments, maar leerde snel. Wat hij niet afleerde was mij van repliek dienen. Hij ging graag de discussie met mij aan. Soms draafde hij door, zodat hij toch af en toe de buitenkant van de klas van dichtbij mocht bekijken, maar over het algemeen was het een verademing. Ik was erg blij met deze jongen. Wat ik bij de andere kinderen een beetje mistte aan tegengas, maakte hij in zijn eentje goed.
Alleen op donderdagmiddag veranderde hij in dezelfde brave jongen als de rest van de klas. Hij zat rechtop, zijn shirt zat recht en er zaten geen inktvlekken op zijn handen. De eerste week snapte ik niet wat er aan de hand was. Er heerste een rust door de school en ik hoorde weinig, tot ik buiten het lokaal ging kijken wat er aan de hand zou kunnen zijn. En daar kwam hij aan: meneer pastoor. In eigen persoon. Zijn wekelijkse bezoek aan de school bracht bij zelfs de meest doorgewinterde boeven een verandering teweeg.
Bij ons op school komt er geen meneer Pastoor. Sterker nog, ik denk dat ruim 90 procent van onze leerlingen nog nooit een kerk van binnen hebben gezien.
Lieve meneer pastoor, zorgt u goed voor deze ene leerling, waarvan ik zijn naam niet meer weet. Zorg u ervoor dat hij vooral zijn mening blijft geven, het liefst in een milde vorm.
En als u toch bezig bent meneer pastoor, kunt u mij goed Papiaments leren, daar heb ik dan nog een paar jaar de tijd voor, voordat die jongens van de onderbouw bij mij in de klas komen. Anders blijf ik die enge juf van de bovenbouw die ook al geen Papiaments kan.