zaterdag 16 april 2011

kinderverjaardagen

Kinderverjaardagen zijn toch een wereld van verschil in Nederland en op Curaçao. Bij de eerste kinderverjaardag die ik meemaakte op Curaçao mocht ik meehelpen. Ik nam de cadeautjes in ontvangst en schreef de naam erop van wie het kwam. Alle cadeautjes kwamen op een grote stapel en de jarige mocht ze aan het einde van de middag, als iedereen weg was open maken. De namen erop waren nodig om de ouders een bedankkaartje te kunnen sturen.
Ik vond het nogal omslachtig. Als het kind het cadeautje meteen kon open maken konden de ouders ook meteen bedankt worden. Nu snap ik beter waarom dit niet altijd haalbaar is. Veertig kinderen, plus één of twee ouders is niet ongewoon op sommige kinderfeestjes op Curaçao. In Nederland is het een soort van ongeschreven regel dat je maar een paar kindjes uitnodigt. Tijd genoeg dus voor de cadeautjes om die meteen uit te pakken. Veertig cadeautjes uitpakken, dan is het feestje al halverwege voordat je überhaupt toekomt aan taart eten en de piñata.
Met een gulden middenweg van tien kinderen hadden wij vanzelfsprekend ook altijd een piñata. Mijn vader maakte deze zelf en wij keken deze knutselavonden vol verwachting mee. Hij werd steeds mooier tot hij af was. De piñata stond of hing klaar in de kamer. Een mattenklopper of knuffel werd niet gebruikt om hem kapot te slaan. Oude kranten werden nat opgerold zodat die goed stevig waren als ze weer opdroogden. Om de beurt mochten we slaan en het feest was altijd geslaagd. In tegenstelling tot Curaçao waar de piñata op een bepaalde leeftijd niet meer aan bod komt op feestjes, hebben wij het tot ons twaalfde vol gehouden. Al zouden we het niet meer hebben gewild, dan hadden we die kans niet gekregen. Bij het uitdelen van de uitnodigingen vroegen vriendinnen steevast, jullie hebben toch wel weer zo’n ding hè, die we kapot mogen slaan.
Inmiddels heb ik zelf een kindje en hij heeft ook altijd een piñata op zijn feestje. Ook ik maak ze zelf. Ik zou ze kunnen kopen in Nederland. Daarvoor moet ik wel naar Rotterdam of een andere grote stad waar veel Zuid-Amerikanen wonen, maar ik vind het veel te leuk om hem zelf te maken. Elk jaar weer een ander thema. Geen opgerolde kranten bij ons, de afgelopen jaren nog treklintjes, maar dit jaar voor het eerst een mattenklopper.
Naast de piñata is het eten ook een groot verschil. Krijg je op een Nederlandse verjaardag een stukje taart op een stenen schoteltje en met wat geluk nog een plakje worst of een zoute stengel die met een beetje pech één keer rondgaat op een schaal, op Curaçao staat naast de piñata het eten centraal. Veel en lekker. Ook ik pak graag uit en heb naast de taart, chips, limonade en snoepbakken, ook eten voor op het eind. Het liefste een broodje stobá  of een grote pan nasi met sateetjes voor iedereen. Op plastic bordjes natuurlijk. En we drinken uit een cup.
Ik probeer de kinderfeestjes hier goed na te bootsen met de feestjes van Curaçao, met één groot verschil, de cadeautjes mogen meteen uitgepakt worden, en één groot gemis, ik kom altijd stoelen te kort. Franky’s, ik mis je. 

zaterdag 9 april 2011

In het reisbureau, terwijl ik zit te wachten om een reis te boeken raak ik in gesprek met een meneer die naast mij zit.

 ‘Oh, je komt van Curaçao?’
‘Ja, nou nee, eigenlijk van Bonaire’.
‘Oh, ja dat ken ik wel. Is het nou altijd lekker weer in Suriname?’.
‘Eh, ja het is altijd warm op Curaçao’.
‘Ja, ja, dat zeg ik. En ga je nog vaak terug?’
‘Niet zo vaak als ik zou willen, het is duur he’.
‘Hebben ze op Aruba ook de euro?’.
‘Nee, op Curaçao hebben ze nog guldens, het enige land in de wereld die nog guldens heeft’.
 ‘De Surinaamse gulden dus, haha’.
‘Nee meneer, de Curaçaose gulden dan ‘.
‘Ja, dat bedoel ik, Aruba, Suriname, het is allemaal hetzelfde toch?’.
‘Nee meneer, dat ligt allemaal vrij ver uit elkaar. De afstand Curaçao – Suriname is bijna even ver als de afstand tussen Amsterdam en Rome’.
‘Dat is dus goed te doen met de auto’.
‘Met het vliegtuig meneer, je kan niet met de auto, je moet een oceaan over’.
‘Oh, nou dat is ook wat. Ik ben trouwens ook wel eens in Suriname geweest’.
Curacao meneer, Curacao, daar kwam ik vandaan. Ik ben nog nooit in Suriname geweest!’.
‘Nou vrouwtje, u hoeft niet boos te worden hoor, het is geen schande dat u nooit in Suriname bent geweest. Ik ben nog nooit in Rome geweest’.

‘Lieve mevrouw van het reisbureau, mag ik voor deze meneer alstublieft een enkele reis naar Rome boeken en doe er maar een atlas bij’. 

zondag 3 april 2011

meneer pastoor

Op school komen regelmatig kinderen van de Antillen. In de gang spreek ik ze wel eens aan. Vaak zijn het jonge kinderen, die in de onderbouw op school zitten.
‘Bon dia’, zeg ik. Dubbel schrik zie ik bij de kinderen. Een juffrouw van de bovenbouw die tegen ze praat. Help, zie je ze denken, die ken ik niet. Wat moet ik doen. En dan ook nog een juffrouw die Papiaments tegen ze spreekt. Heel voorzichtig hoor ik een ‘Bon’ terug.
De weken erna, als we elkaar weer tegenkomen, worden deze leerlingen steeds vrijer naar mij toe. Ze weten nu inmiddels dat ik wel een juffrouw van de bovenbouw ben, maar niet zo heel erg eng, en ja, ik kan een beetje Papiaments.
Soms heb ik wel eens spijt dat ze dat weten, want nu willen ze vaak een gesprekje aanknopen met mij en ja, dan stokt mijn Papiaments. Ik begin te stamelen en stotteren en ga vlug over op het Nederlands. Was er eerst schrik bij de kinderen, nu zie ik teleurstelling. Weg bondgenoot, wel thuisgevoel. Weer zo’n juf die wel populair doet, maar het niet kan waarmaken.

Andersom heb ik het ook meegemaakt. Tijdens mijn studie heb ik  een paar weken stage gelopen op de Margaretha school te Janwé. Een geweldige tijd, met een leuke klas, met vooral hele lieve kindjes. Kinderen die gepokt en gemazeld waren door het Curaçaose schoolsysteem en vooral heel beleefd waren. Niet gauw een weerwoord gaven, en mij continue aanspraken met ja juffrouw en nee juffrouw. Dat was wel even wennen. In die klas zat één jongen, die net uit Nederland was verhuisd. Hij sprak weinig Papiaments, maar leerde snel. Wat hij niet afleerde was mij van repliek dienen. Hij ging graag de discussie met mij aan. Soms draafde hij door, zodat hij toch af en toe de buitenkant van de klas van dichtbij mocht bekijken, maar over het algemeen was het een verademing. Ik was erg blij met deze jongen. Wat ik bij de andere kinderen een beetje mistte aan tegengas, maakte hij in zijn eentje goed.
Alleen op donderdagmiddag veranderde hij in dezelfde brave jongen als de rest van de klas. Hij zat rechtop, zijn shirt zat recht en er zaten geen inktvlekken op zijn handen. De eerste week snapte ik niet wat er aan de hand was. Er heerste een rust door de school en ik hoorde weinig, tot ik buiten het lokaal ging kijken wat er aan de hand zou kunnen zijn. En daar kwam hij aan: meneer pastoor. In eigen persoon. Zijn wekelijkse bezoek aan de school bracht bij zelfs de meest doorgewinterde boeven een verandering teweeg.
Bij ons op school komt er geen meneer Pastoor. Sterker nog, ik denk dat ruim 90 procent van onze leerlingen nog nooit een kerk van binnen hebben gezien.
Lieve meneer pastoor, zorgt u goed voor deze ene leerling, waarvan ik zijn naam niet meer weet. Zorg u ervoor dat hij vooral zijn mening blijft geven, het liefst in een milde vorm.
En als u toch bezig bent meneer pastoor, kunt u mij goed Papiaments leren, daar heb ik dan nog een paar jaar de tijd voor, voordat die jongens van de onderbouw bij mij in de klas komen. Anders blijf ik die enge juf van de bovenbouw die ook al geen Papiaments kan.

zaterdag 26 maart 2011

temperament of karakter

Toen ik als veertienjarige weer terug kwam op Curaçao was ik erg vernederlandst.  Ik had in Nederland immers de lagere school doorlopen en twee jaar van de middelbare school.
Het was en is zeer gewoon om in Nederland in discussie te gaan met je leerkrachten. Je noemt hen zelfs bij de voornaam. Niks geen juffrouw of meneer ervoor. Gewoon Jan of Saskia.
De eerste paar jaar op het MIL heb ik enorm moeten wennen. Dat we meneer en juffrouw moesten zeggen was al snel duidelijk. Dat discussies met leraren niet altijd welkom werd ontvangen heb ik in de jaren dat ik er zat niet echt afgeleerd.
Ik vond, en vind nog steeds heel veel van een heleboel dingen. En dat wil ik ook graag profileren. Ik probeer dat op een vriendelijke manier te doen, maar dat lukt niet altijd. Zeker als ik vind dat er onrechtmatig gehandeld wordt, dan kan ik dat zeer scherp naar voren brengen.
In Nederland heb ik teveel temperament zeggen ze. Dan zien ze mijn zuidelijk bloed. Ik word fel en reageer ongenuanceerd. Die lange tenen hè, zeggen ze dan. Antillianen schijnen lange tenen te hebben, met andere worden, ze zijn snel beledigd en kunnen niet goed tegen kritiek. Hoe bedoel je, denk ik dan. Kijk eens naar jezelf, maar zodra ik dit uit, krijg ik hetzelfde verwijt nog eens.
Op Curaçao was ik brutaal en te Nederlands. Daar werd door sommigen handig gebruik van gemaakt. Monique zou het wel zeggen als we het ergens niet mee eens waren. Monique kon dat wel. Die deed dat toch wel. Onbewust heb ik er dus zelf niets aan gedaan om dit te veranderen. Te Nederlands of karakter? Ik hou het op karakter.
Op het MIL was het de gewoonte dat de rector aan het begin van het schooljaar alle klassen langs liep om iedereen een fijn schooljaar te wensen. Zo ook bij ons. Wij hadden dat uur net handvaardigheidles.  De rector sprak een paar jongens aan, in die volle klas. Met de boodschap dat hij dat jaar geen gedonder wilde en dat ze goed hun best moesten doen. Bij het verlaten van het lokaal draaide de rector zich nog eens om en zei: ‘En dat geldt ook voor jou Casimiri’. Nou zeg ik je, hoe bedoel je, ik ook, op één rij met die jongens.
Ik voelde mijn tenen groeien en was blij dat ik die dag geen slippers droeg. Op de tweede plaats zodat mijn lange tenen niet zichtbaar werden, maar op de eerste plaats zodat ik die niet snel naar het hoofd van de rector kon gooien. Hoe bedoel je? Ik? Maar stiekem was ik maar wat trots. Trots dat ik mijn mening dus zo duidelijk kon overbrengen. Nu alleen nog leren om dat genuanceerd te doen. Ruim twintig jaar later lukt me dat nog steeds vaak niet. Temperament of toch karakter? 

zondag 20 maart 2011

taal 2

Ik kan het Papiaments goed verstaan. Dat wil zeggen, de dagelijkse taal. Een politieke discussie volg ik fragmentarisch.
Ik spreek het zeker niet vloeiend, maar onder intimi wil ik mijn best nog wel doen. Een andere taal spreken in een land waar het niet zo bekend is, kan heel handig zijn.
Je kan ongegeneerd spreken over de mevrouw die naast je staat in het bushokje. Zonder consequenties commentaar hebben op een vreemde. Niet netjes, maar wel leuk.
Andersom heb ik het ook meegemaakt. Ik werkte in een supermarkt. Zat achter de kassa. Er kwamen twee meisjes bij de kassa staan en die hadden een hoop commentaar op mij. In het Papiaments. En niet zo’n klein beetje commentaar, maar grof schelden en beledigend.
Ik ben daar toen heel erg boos over geworden en heb in het Nederlands een opmerking over gemaakt. In eerste instantie heel rustig, maar algauw bevond ik mij op hetzelfde niveau als die meiden. Daar stonden wij in de supermarkt. Zij voor de kassa, ik erachter. Zij schelden in het Papiaments, ik in het Nederlands. Dat ik toen niet ontslagen ben mag een wonder heten.
Nu in de stad is het vaak wel grappig. In de stad hoor ik regelmatig Papiaments om mij heen. Ook hebben ze het wel eens over mij. Nooit schokkend, maar ze hebben het wel over mij. Meestal laat ik ze dan eerst hun verhaal vertellen, zo nieuwsgierig ben ik dan ook nog wel. Pas als het duidelijk is dat ik niet meer het onderwerp van gesprek ben, vraag ik beleef in het Papiaments of ik er even door mag, of ik zeg ze vriendelijke gedag in het Papiaments. De schok die dat teweeg brengt is leuk. Soms uiten ze verschillende verontschuldigingen, maar nog vaker lopen ze snel weg met gebogen hoofd. Schamen ze zich? Ik weet het niet.

Ik schaam me wel regelmatig. Ja, ook voor mijn Papiaments dat verre van perfect is, maar meer nog voor het gedrag van Nederlanders wanneer zij op vakantie zijn. Op de Antillen is het niet meer dan normaal om beleefd te zijn. Gespeeld of oprecht is niet altijd duidelijk, maar beleefd zijn de meeste mensen wel.
In het buitenland heeft de Nederlander niet de beste naam als het op beleefdheid aankomt. In badpak naar de supermarkt, luid bier drinkend in blote bierbuik op straat, altijd minder willen betalen dan de afgesproken prijs. Ook op Curaçao zie ik dit, maar zeker ook in Europa.
Hoe fijn is het dan om in Italië Papiaments te praten. Je wordt niet aangezien voor Nederlander. Je wordt beleefder benaderd en anders behandeld.
En ja, je kan als man ook ongegeneerd aan je vrienden vertellen dat de vriendelijke dame aan de bar een dushi muhèr is zonder dat haar Italiaanse familia achter je aankomt.

zaterdag 12 maart 2011

tijdsverschil

Er zijn een aantal dingen in Nederland waar ik maar niet aan kan wennen.
De grootste hiervan is wel dat de dagen niet altijd even lang duren. Op de een of andere manier zit het zo in mijn systeem dat het rond zes uur donker wordt en dat het om zeven uur donker is.
Er zijn maar een paar weken paar jaar dat ik dus in mijn gewone bio ritme leef en dat vind ik heerlijk. Ik hoef nergens aan te denken, mijn lijf denkt voor mij.
Het begint te schemeren, dan ga ik aan het avond eten denken. Moeten er nog een paar laatste boodschappen gedaan worden en wat gaat de avond brengen?
De rest van de weken in het jaar zit ik er flink naast. Of ik heb om half vier al verschrikkelijke honger en eet twee zakken chips leeg, of mijn hongergevoel begint pas tegen een uur of tien in de avond.
Ik heb dit probleem jaren weten op te lossen door gewoon altijd maar wat te eten. Mijn collega’s en vrienden kennen mij niet anders dan kauwend.
Dat werd een groot probleem toen ik besloot te stoppen met roken. Ik stopte niet met eten en de weegschaal was meedogenloos. Helemaal cold turkey stoppen met roken is niet mijn ding , maar met nicotine kauwgums hou ik het nu al zes maanden vol.
Ik blijf dus herkenbaar voor vrienden en collega’s, het kauwen gaat onverschrokken door. Alleen het tijdsprobleem komt nu weer terug. Ik heb nog een paar goeie weken gehad in september, en toen begon het gedonder weer. De dagen werden korter.
Nu zijn we gelukkig weer in de tijd gekomen dat de dagen weer wat langer worden en nog een paar weken ik zit weer in mijn comfort zone. Ik kan me er nu al op verheugen.

Andersom heb ik er nooit last van. Als ik op Curaçao ben is het weer zo gewoon dat ik meteen in het tijdritme meega. Ik geniet. Ik eet en maak plannen voor de avond. Bel wat vrienden om af te spreken.
Hoe anders is het voor mijn man.  Meestal zijn we daar in de zomer, de tijd dat het hier zo rond tien uur in de avond donker begint te worden.  Omgerekend is het dan in Nederland drie uur later 1 uur in de nacht. Op Curacao is het drie uur later pas negen uur. Ik sta klaar om te douchen om op stap te gaan. Mijn man legt zijn boek opzij en zegt: zullen we dan nu maar gaan slapen? Hij kan er maar niet aan wennen.

maandag 7 maart 2011

taal 1

Ik sta nu ruim twaalf jaar voor de klas en de meeste kinderen die bij mij in de klas hebben gezeten kennen het woord sushibak.
Ook het woord dushi is niet onbekend voor ze, als ook een aantal scheldwoorden. Hoewel ze die meestal op straat leren van vriendjes. Ze komen bij mij vragen wat het betekent en ik ben niet te flauw om ze die vertaling te weerhouden.
Ook thuis zijn ze inmiddels gewend aan mijn idioom. Onze kleine geeft een brasa aan vrienden en doet met opa het spelletje coré cabai. Zo leert hij spelenderwijs wat Papiaments. Als we nu naar Curaçao zouden emigreren zou hij het in ieder geval beter leren dan ik.
Ik was veertien toen ik weer terug kwam op de Antillen na een afwezigheid van tien jaar. Al het Papiaments dat ik kende kon ik op één hand tellen. Ik ging daar naar de middelbare school, MIL, en kwam in een klas met vrij veel Nederlandse kinderen. Dat is mijn pech geweest. Ik hoefde ook geen Papiaments te spreken. Hoe anders was het voor mijn zus. Zij kwam in een klas met voornamelijk Antillianen en die zeiden tegen haar, praat maar Papiaments. Zij spreekt het in mijn ogen heel erg goed.
Op straat probeerde ik het wel, maar nadat ik verschillende keren flink ben uitgelachen om mijn uitspraak gaf ik de moed op.
Nu heb ik spijt dat ik toen niet heb doorgezet. Ik ben gaan surfen op internet om hier een cursus te gaan volgen. Die zijn er wel, à 400 euro p.p.
Inmiddels ben ik wel zo ver dat ik gewoon Papiaments spreek als ik bij de snèk mij impana bestel. Ik merk ook dat men dat goed kan waarderen en als ik het gevoel heb dat ik het woord niet goed uitspreek dan vraag ik dat.
Onder vrienden blijft het lastig om mij over die schroom heen te zetten. Gelukkig heeft ons kind daar geen last van. Die kent nog geen schroom. Hij loopt net zo makkelijk in zijn blootje door het huis, wanneer deze vol visite zit, als in zijn piratenpak.
Zo ook met taal. Hij vindt dat alles goed klinkt. Hij vraagt mij om een mala lunchi ( awa limoenchi), hij vult aan wanneer ik bij de k klank blijf steken wanneer ik mij pijn doe.